De cruciale punten van de hoofdzaken

van het hedendaagse weder-opbouwwerk van de Heer

WEEK 1 DAG 1

1Tim. 1:3-6 Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in het geloof is. Het doel nu van het bevel is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof. Sommigen zijn daarvan afgeweken en hebben zich gewend tot zinloos gepraat.

Het is mijn last iets van Gods economie met jullie te delen. 1Tim 1:3-7 bevat twee heel belangrijke uitdrukkingen in de Griekse taal, de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament: ‘Gods economie’ en ‘afgeweken’. De apostel Paulus werd door God uitgekozen om de verantwoordelijkheid van Gods economie te dragen en hij trainde zijn geestelijke zoon Timoteüs in deze economie. Het is heel interessant te zien dat de brieven van Paulus aan Timoteüs zijn geschreven in een tijd waarin vele christenen waren afgeweken van het oorspronkelijke pad. Zij hadden het middelpunt van Gods economie niet gezien en hadden belangstelling voor hele andere zaken. (CWWL, 1964, vol. 3, “The Economy of God,” p. 151)

Gods economie in geloof is het besturen van Zijn huishouding, en dat is de uitdeling van Zichzelf in Christus in Zijn uitverkoren volk zodat Hij een woonplaats zal hebben om Zichzelf tot uitdrukking te brengen, en dat huis is de Gemeente (1Tim. 3:15), het Lichaam van Christus. De bediening van de apostelen draaide helemaal om deze economie van God (Col. 1:25; 1Cor. 9:17), terwijl de verschillende leringen van de andere stromingen door Gods vijand werden gebruikt om Zijn volk af te leiden van deze economie. In het besturen, voeden en verzorgen van een plaatselijke gemeente moet deze goddelijke economie volkomen duidelijk worden gemaakt aan de heiligen. (1Tim. 1:4, voetnoot 3 RcV)

De geschiedenis laat zien dat er twee belangrijke elementen waren die de vroege christenen van de rechte weg af brachten: Judaïsme en Gnosticisme. Het lijkt alsof de goede elementen uit het Judaïsme en het Gnosticisme de vroege christenen aansprak....De aanhangers van het Judaïsme benadrukten immers de wet van Mozes uit het Oude Testament.

Wanneer wij tijd met de Heer doorbrengen realiseren we ons dat de vijand volhardt in het gebruiken van juist de goede dingen van het christendom om de kinderen van de Heer af te leiden van het middelpunt van Gods economie.

Wat is Gods economie? Als we met geestelijk inzicht een diepgaande en grondige studie maken van de Schrift, zullen we beseffen dat Gods economie eenvoudig Zijn plan is om zichzelf uit te delen in de mensheid. Gods economie is Gods uitdeling, en dat betekent niets anders dan dat God zichzelf uitdeelt in het menselijke ras. In deze goddelijke uitdeling wil God, die almachtig en allesomvattend is, niets anders dan zichzelf uitdelen in ons.

God is onmeetbaar rijk. Zijn kapitaal is Hij zelf, en daarmee wil Hij zichzelf 'verwerken' in massa productie. God is zelf de Ondernemer, het kapitaal en het product. Het is Zijn bedoeling om door middel van massaproductie zichzelf uit te delen in vele mensen, en dat helemaal gratis. Hiervoor heeft God een goddelijke regeling, een goddelijk bestuur, een goddelijke uitdeling, een goddelijke economie nodig om zichzelf in de mensheid te werken.

Laten we dit nader uitwerken. Nu we weten dat het Gods doel is zichzelf uit te delen, moeten we ontdekken wat God is om te kunnen weten wat Hij eigenlijk uitdeelt. Met andere woorden, waar bestaat God eigenlijk uit? Als een ondernemer plannen maakt om een product te gaan maken moet hij als eerste duidelijkheid hebben over de samenstelling daarvan, over de basis ingrediënten. Gods samenstelling is Geest (Joh. 4:24). De ware essentie van de almachtige allesomvattende universele God is eenvoudig Geest. God is de Maker en Hij wil zichzelf reproduceren als het product; daarom moet alles wat Hij maakt uit Geest bestaan, de werkelijke samenstelling van God. (CWWL, 1964, vol. 3, “The Economy of God,” pp. 151-153)

WEEK 1 DAG 2

Zech. 12:1 Dit zegt de Heer, die de hemel uitspande als een tent, die de fundamenten van de aarde heeft gelegd en aan de mensen de levensadem gaf.

2Cor. 3:17 De Heer nu is de Geest; waar nu de Geest van de Heer is, is vrijheid.

2Tim. 4:22 De Heer zij met je geest. De genade zij met jullie.

In Zijn schepping maakte God drie cruciale en even belangrijke dingen — de hemel, de aarde en de geest van de mens. De hemel is voor de aarde, de aarde is voor de mens en de mens werd geschapen door God met een geest waarmee hij met God in contact kon komen, God kon ontvangen, God kon aanbidden, God kon leven, Gods doel kon voleindigen en één kon worden met God. In Zijn economie wilde God dat Christus het middelpunt en de allesomvattendheid van Zijn beweging op aarde zou zijn. Voor Zijn uitverkoren volk, dat om Hem zou geven als de Schepper en als de Verlosser, moest Hij daarom een ontvangend orgaan scheppen zodat ze de mogelijkheid kregen om alles te ontvangen wat God had bedacht dat Christus zou zijn. (Eph. 1:17-18a; 3:5). (Zech. 12:1, voetnoot 2 RcV)

De Heilige Geest van God, die woont in onze menselijke geest om alles wat God is in Christus te werken in ons wezen, is het brandpunt, het merkteken, van deze mysterieuze uitdeling van de Drie-enige God. Dit is het strijdperk van de geestelijke oorlogvoering. De sluwe vijand heeft de heiligen afgeleid van God en doet dat nog steeds, zelfs bij de zoekenden, en ons afgeleid van dit merkteken van Gods economie door ons te richten op vele goede en ook bijbelse dingen! In deze tijd van verwarring, net als in de tijd toen de brieven aan Timoteüs werden geschreven, moeten wij ons richten op en zelfs volkomen gefocust worden op de allesomvattende goddelijke Geest in onze menselijke geest zodat we niet zullen worden afgeleid van het merkteken van de goddelijke economie. Daarom is er vandaag een fundamentele behoefte aan de terugkeer naar de inwoning en beoefening van onze geest om de Geest van God te verwezenlijken. Alleen daardoor kunnen wij deelhebben aan de gehele volheid van God door te genieten van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus. Mag de Heer ons genade bewijzen zodat we worden gebracht in zo'n werkelijkheid en dit beoefenen in ons dagelijks leven en in alles wat we doen.

De allesomvattende Christus als het goede land is in de geest en Zijn woonplaats in het Heilige der Heilige is ook in onze geest. Als je de geest niet van de ziel kan onderscheiden zul je het merkteken missen en kan je niet van Christus genieten. Elke dag behoren wij om te gaan met de levende Christus, die zo subjectief is voor ons. Christus is in jou en Hij leeft, is realiteit en heel praktisch. Ik kijk op naar de Heer dat onze ogen zullen worden geopend om het hemelse visioen te zien en de innerlijke openbaring van deze levende, inwonende, subjectieve Christus in onze geest als het merkteken van Gods economie. (CWWL, 1964, vol. 3, “The Economy of God,” pp. 149-150, 341)

Het gemeenteleven is genade in plaats van een wedstrijd. Als wij er nog steeds een wedstrijd van maken en ons uiterste best doen, dan komen we te kort aan genade. (Practical Talks to the Elders, p. 21)

Gal 6:18 zegt dat de genade van de Heer met onze geest is. Als wij ons wenden tot onze geest genieten we de Heer als genade. Als we beginnen ruzie te maken met onze echtgenoot moeten we direct terugkeren tot onze geest. Het verstand is een plaats van ruzie en onenigheid, maar de geest is het land van genade. Het is geen zaak van proberen een overwinnaar te zijn; het is een zaak van in het juiste land zijn. Het juiste land is in onze geest. (CWWL, 1973-1974, vol. 1, “The Indwelling Christ in the Canon of the New Testament,” p. 613)

Paulus zei: “De Heer zij met je geest. De genade zij met jullie” (2Tim. 4:22). Als wij de Heer niet ervaren in onze geest en daardoor de genade kwijtraken, dan is dat het verval van de Gemeente. We moeten hier zorgvuldig mee omgaan. Ons grootste genot en onze grootste ervaring is dat onze Heer met onze geest is. De Geest van de Heer ervaren in onze geest is genade in ons. Als we dit kwijtraken raakt de Gemeente in verval. (How to Be a Co-worker and an Elder and How to Fulfill Their Obligations, p. 45)

WEEK 1 DAG 3

Rom. 16:20 De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u!

Eph. 4:3-5 …en u beijvert de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent in één hoop van uw roeping;…

De laatste drie hoofdstukken van Romeinen tonen ons de vermenging en gemeenschap van het Lichaamleven in beeld gebracht doordat de apostelen het ontvingen in overeenstemming met God en Christus; een dergelijke uitleg is niet eerder gezien bij Bijbeluitleggers in voorgaande generaties. Romeinen 16 geeft ons een bijzonder voorbeeld van de apostel die al de heiligen brengt in het vermengde leven van het gehele Lichaam van Christus. Het is in zo'n leven dat we werkelijk kunnen regeren in leven.

Wij moeten volgen op het pad van de apostel. Hij bracht ons in het vermengde leven van het gehele Lichaam van Christus door aanbevelingen en groeten dat de God van de vrede de satan onder onze voeten zal verpletteren en dat we zullen genieten van de rijke genade van Christus (Rom. 16:1-16, Rom. 16:21-24, Rom. 16:20). (The Experience of God’s Organic Salvation Equaling Reigning in Christ’s Life, p. 70)

Vandaag kunnen wij de eendracht beleven omdat we één visioen en één zicht hebben. We zijn allemaal in dit up-to-date alles overervende visioen. Wij hebben één gezichtspunt. We spreken hetzelfde ding vanuit één hart, met één mond, één stem en op één manier, en we dienen de Heer gezamenlijk. Het resultaat is een kracht die onze sterke moraal en onze grote impact wordt. Dit is onze kracht. Zodra het wederopbouwwerk over deze kracht beschikt zal er de heerlijkheid van groei en vermenigvuldiging zijn. (The Vision of the Age, p. 54)

De woorden wederopbouw en economie verwijzen naar één ding gezien vanuit twee gezichtspunten. Bij God is het een zaak van economie; bij ons is het een zaak van herstel en wederopbouw. Gods economie is geopenbaard door de apostelen, maar doordat de gelovigen de juiste betekenis van Gods economie zijn kwijtgeraakt, is het nodig dat we komen tot herstel. Dus wat wij vandaag zien is het herstel en de wederopbouw van Gods economie.

Het wederopbouwwerk van de Heer herstelt ook de eenheid van het Lichaam. Dit betekent dat wij in het wederopbouwwerk het universele Lichaam moeten zien en dat wij alles moeten doen onder de beperking en regulering van het ene Lichaam. Wij moeten allemaal leren om het herstel van het ene Lichaam in het wederopbouwwerk van de Heer te beoefenen. (Life-study of 1 & 2 Samuel, p. 195)

Wij geloven dat God vandaag bezig is met het herstel van de moeilijkste zaak ooit,...de vervulling van Efeze 4....God doet overal een werk van herstel. Het ultieme werk onder al deze werken kan heel goed het herstel van het getuigenis van het Lichaam zijn. Gods leiding vandaag brengt ons terug naar het begin en herstelt ons tot de conditie die er in het begin was. (CWWN, vol. 57, “The Resumption of Watchman Nee’s Ministry,” pp. 220-221)

In de Bijbel, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zien we een sterk en betrouwbaar principe dat wanneer de meerderheid van Gods volk faalt in de uitvoering van Gods bedoelingen, God tussenbeide komt met een herstelwerk. God zal nooit Zijn doel laten varen. De tempel werd vernietigd en het volk werd weggevoerd. Toen kwam God tussenbeide en voerde Zijn herstelwerk uit, maar dat herstel kwam niet voor het gehele volk van God. Alleen een klein aantal van de weggevoerde en verstrooide mensen keerde terug om de tempel te herbouwen voor Gods herstelwerk. Het was door deze kleine groep dat in zekere zin het gehele volk werd hersteld. Zij herbouwden de vernietigde tempel en herstelden de stad.

Wij kunnen er zeker van zijn dat de Heer Zijn profetie over de bouw van Zijn Lichaam zal vervullen door het principe van Zijn wederopbouwwerk. Zijn wederopbouw is altijd bij een minderheid, niet bij de meerderheid. (CWWL, 1972, vol. 3, “The Greatest Prophecy in the Bible and Its Fulfillment,” pp. 433-435)

WEEK 1 DAG 4

Eph. 4:12 …om de heiligen te volmaken, tot het werk van de bediening, tot de opbouwing van het lichaam van Christus;…

Eph. 4:15-16 …maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem die het hoofd is, Christus, uit Wie het hele lichaam, samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning verleent naar de werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in liefde.

Het eerste belangrijke onderwerp van het wederopbouwwerk van de Heer is het herstel van Christus en het herstel van Christus als leven voor de gelovigen ten bate van de Gemeente (Kol. 1:15-19; 3:4a; Mt. 16:16-18).

Christus is het centrale onderwerp in de hele Bijbel. De situatie in het hedendaagse christendom lijkt op die van de gemeente in Laodicea in de brief van de Heer in Openbaring 3:14-22 (Rev 3:14-22). Volgens vers 20 stond Christus buiten voor de deur van de gemeente in Laodicea. Op dezelfde manier is de naam van Christus wel aanwezig in het hedendaagse christendom, maar de persoon en de werkelijkheid van Christus ontbreekt. (The Practice of the Church Life according to the God-ordained Way, p. 13)

Het tweede belangrijke onderwerp in het wederopbouwwerk van de Heer is het herstel van het plaatselijke gemeenteleven (Act. 9:31; Act. 14:23). Broeder Nee legde hier sterk de nadruk op. Wij moeten zien dat wij in het wederopbouwwerk, in de plaatselijke gemeenten, allemaal herders zijn en dat we allemaal door elkaar worden verzorgd en gevoed.

Het derde belangrijke onderwerp in het wederopbouwwerk van de Heer is het herstel van de unieke eenheid van het Lichaam van Christus (Joh. 17:11, Joh. 17:22-23; Eph. 4:3-6). Volgens het onderwijs van Paulus zijn verschillen tussen christenen onderling onvermijdelijk, maar geen enkel geschilpunt mag leiden tot verdeeldheid. In Romeinen 14 legde Paulus uit dat er punten van verschil waren tussen de gelovigen, zoals de zaak van voedsel en het belang hechten aan bepaalde dagen (Rom 14:2-6). Hoewel Paulus leerde dat zulke verschillen niet tot verdeeldheid onder de gelovigen mogen leiden, zijn er sommige christenen die geschilpunten hebben gebruikt om verdeeldheid te creëren tot hun eigen verheerlijking. Voor ons echter zijn dit soort praktijken een schande. (The Practice of the Church Life according to the God-ordained Way, pp. 14-15)

Het wederopbouwwerk van de Heer is het herstel van drie belangrijke onderwerpen. Deze onderwerpen zijn van vitaal belang voor onze beoefening van het gemeenteleven en het is erg belangrijk voor ons geen van deze punten over het hoofd te zien.

Ten eerste, het wederopbouwwerk van de Heer is het herstel van de eenheid van het Lichaam van Christus. In de voorgaande eeuwen zijn christenen telkens weer onderling verdeeld geraakt. Het wederopbouwwerk van de Heer getuigt, dat ongeacht de verschillen in ras, cultuur of niveau van opleiding, alle christenen één behoren te zijn. Er is geen enkele reden om onderling verdeeld te zijn.

Ten tweede, het wederopbouwwerk van de Heer is niet het herstel van een leerstelling of doctrine, maar van Christus als alles in allen. Christus is alles. Hij is het middelpunt en Hij is de omtrek. Wij geven alleen om Christus. In de afgelopen zestig jaar heeft de Heer ons gebruikt om veel boeken en publicaties uit te brengen over Christus, de Gemeente en het Lichaam van Christus in eenheid.

Ten derde, het wederopbouwwerk van de Heer is het herstel van de functie van al de leden van het Lichaam van Christus. De Heer verlangt ernaar dat elk lid van Zijn Lichaam functioneert. Bijna alle christelijke groepen hanteren het systeem van geestelijken en leken. De geestelijken zijn de professionele predikers, dominees en dienaars, die God dienen in plaats van de andere leden van de gemeente. Eigenlijk vervangen de geestelijken de leden van het Lichaam van Christus en daardoor wordt de functie, de bekwaamheid en de bruikbaarheid van de leden van Christus tot nul gereduceerd. Dit is een belediging ten opzichte van de Heer. Het wederopbouwwerk van de Heer wil het systeem van geestelijken en leken uitbannen en de gaven, functie en bekwaamheid van al de leden van het organische Lichaam van Christus tot ontwikkeling brengen (Eph. 4:11-16).

Volgens de gelijkenis in Matteüs 25:14-30 heeft de Heer aan ons allemaal talenten gegeven. Elk lid van het Lichaam, ongeacht hoelang hij al gered is of hoeveel talenten hij heeft ontvangen, behoort te dienen. Al direct na zijn bekering behoort hij deel te nemen aan het gemeenteleven. (The Basic Principles for the Practice of the God-ordained Way, pp. 1-4)

WEEK 1 DAG 5

2Cor. 5:4 …opdat het sterfelijke door het leven verslonden wordt.

Joh. 7:38 Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.

1Joh. 5:16 Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan zal hij bidden en Hij zal hem het leven geven, hun die niet tot de dood zondigen.

Als wederom geboren mensen hebben wij het goddelijke leven. Het is echter mogelijk dat we het goddelijke leven niet zo vaak in de praktijk brengen in de dienst in de gemeente. We doen eenvoudig onze taken, praten, roddelen, stellen vragen en beoefenen ons verstand en onze emotie in de naam van 'gemeenschap', maar zonder de beoefening van het goddelijke leven in ons. Ware gemeenschap is de stroom van leven en het wederzijds uitdelen van leven. Ik bedien leven aan jou en jij bedient leven aan mij, en in deze levensstroom is de echte gemeenschap. Alles in het gemeenteleven behoort in de natuur van het leven te zijn, met de inhoud van leven en in de uitdeling van leven. Onze werken, woorden, gemeenschap, dienst, bediening, boodschap, Bijbelstudie en gebed behoort in de stroom en in de uitdeling van leven te zijn. (CWWL, 1973-1974, vol. 2, “The Normal Way of Fruit-bearing and Shepherding for the Building Up of the Church,” p. 549)

Wij moeten ons afwenden van hen die verdeeldheid zaaien (Rom. 16:17; Tit. 3:10; 1Cor. 1:13). Zelfs als een naast familielid zoals een man, vrouw, broer of zus verdeeldheid zaait, dan moeten we ons afwenden van hun verdeeldheid. Hetzelfde geldt voor onze intieme en goede vrienden. Toen de zuster van Mozes, Mirjam, melaats werd, moest zij in quarantaine buiten de legerplaats (Num. 12). Iemand in quarantaine doen is een medische term en betekent afzonderen. Afzonderen, of in quarantaine doen, van een melaatse had niet tot doel deze persoon op te geven of weg te jagen; het ging eenvoudig om het gescheiden houden van de melaatse van de rest van Gods volk zodat ze niet zouden worden besmet met melaatsheid. Zodra de melaatse was genezen werd die persoon rein verklaard en kon hij terugkeren in de vergadering van Gods volk. Volgens Leviticus 13 en 14 was het vaststellen of iemand melaats of rein was een lastige zaak. Dit kon niet worden gedaan door gewone mensen; alleen een priester kon dit doen op een zorgvuldige manier. (The Practice of the Church Life according to the God-ordained Way, pp. 17-18)

Waar we ook zijn we moeten acht slaan op wat we horen. Als we dat doen zal alles wat we horen positief en juist zijn. Dan zullen we de juiste weg nemen en de juiste dingen doen. Als we echter geen acht slaan op wat we horen en luisteren naar negatieve woorden, dan worden onze daden en ons werk negatief beïnvloed.

Als een gemeente zou stoppen met het luisteren naar negatieve woorden, dan zou die gemeente gezond en levend zijn. De gemeente die het zwakst en het meeste doodsheid kent is de gemeente die vol is van kritiek, roddel en redeneren.

Omdat we Gods priesters zijn, moeten we onszelf de vraag stellen wat voor soort dingen we eigenlijk willen horen. Willen we luisteren naar negatieve of naar positieve dingen? Omdat we vaak onreine dingen horen, dingen die ongezond en besmettelijk zijn, is het nodig dat we onze oren wassen met het bloed van Christus. Volgens de Bijbel zalft de Geest daar waar het bloed rein wast. Na de wassing door het bloed zullen we genieten van de zalving van de Geest. Dan vergeten we alle negatieve dingen die we hebben gehoord, of we zullen ze op z'n minst niet herhalen. Ook worden we gezond en levend, en de gemeente zal groeien in onze gezondheid.

Het eerste waar wij als Gods priesters mee moeten afrekenen is ons horen. Positief horen zal ons redden van negatief horen. Als wij luisteren naar Gods woord van de ochtend tot de avond, hoeven we niet te luisteren naar negatieve woorden. (Life-study of Leviticus, pp. 261, 260-261, 266)

WEEK 1 DAG 6

Lev. 2:11 Geen spijsoffer, dat gij de Here brengt, zal gezuurd bereid worden, want van zuurdeeg noch honig zult gij iets als een vuuroffer voor de Here in rook doen opgaan.

2Tim. 2:22 Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.

In het spijsoffer is geen honing verwerkt, want dat zou gaan gisten of verzuren (Lev. 2:11). Dit geeft aan dat er geen natuurlijke affectie of natuurlijke goedheid te vinden is in Christus. Niets berokkent het gemeenteleven, de bediening van de Heer en het wederopbouwwerk van de Heer meer schade dan ambitie en natuurlijke affectie. Ambitie voor het leiderschap is zuurdeeg en zuurdeeg brengt corruptie met zich mee. Natuurlijke affectie is honing en honing maakt dat het rottingsproces begint.

Ambitie en affectie staan dicht bij elkaar. Stel dat een broeder een zekere ambitie heeft. Als zijn ambitie is vervuld is hij gelukkig. Als dat niet het geval is zal hij ongelukkig zijn. Hij zal van iedereen houden die hem helpt te krijgen waarnaar hij verlangt. Maar iedereen die hem in de weg staat bij het vervullen van zijn ambitie zal hij zien als een vijand.

Als wij de Heer voor langere tijd willen dienen is het goed om op de Heer te zien zodat Hij ons kan reinigen van ambitie en natuurlijk affectie. Voor ons is daar alleen het doorkruisen door de dood van de Heer (zoals uitgebeeld door het zout in het spijsoffer in vers 13). Dan hebben wij zuivere menselijkheid en zuivere liefde. Wij zullen zuiver zijn en we zullen een leven leiden gelijk aan dat van de Heer Jezus toen Hij op aarde was, een leven zonder zuurdeeg en honing, maar rijk aan zout. (Life-study of Leviticus, pp. 115-117)

Het is de genade van de Heer dat Hij aan mij dit visioen heeft geopenbaard. Ik raad je aan niet mij te volgen, maar het visioen te volgen dat Broeder Nee en al de dienstknechten van de Heer door de eeuwen heen hebben nagelaten en wat ik nu aan jullie doorgeef. Dit is inderdaad een visioen over het volledige bereik van Adam tot aan het Nieuwe Jeruzalem. Meer dan vijftig jaar is nu verstreken. Ik heb met mijn eigen ogen gezien dat zij die voor een tijd de weg van het wederopbouwwerk van de Heer nemen en daarna een andere weg kiezen niet tot een goed einde komen. Er is maar één weg. Alle geestelijke dingen zijn één. Er is één God, één Heer, één Gemeente, één Lichaam, één getuigenis, één weg, één stroom en één werk. Als je niet deze weg neemt blijft er geen andere weg over die je kan nemen. (The Vision of the Age, p. 51)

De dieren die genoemd worden in Leviticus 11 zijn van grote betekenis, want ze beelden personen uit; het zijn beelden die verschillende soorten personen beschrijven. Dit wordt uitgelegd door Handelingen 10:9b-14 (Act 10:9b-14), Handelingen 10:27-29 (Act 10:27-29). Petrus "zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan de vier hoeken op de aarde werd neergelaten; daarin waren alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel” (Act 10:11-12). Eerst begreep Petrus niet dat deze dieren, reptielen en vogels mensen voorstelden. Tenslotte ging hij dit zien, want in het huis van Cornelius waren immer mensen en geen dieren (Act 10:27-28).

Door te eten maak je contact met iets van buiten onszelf dat ons innerlijk kan raken. Dit verwijst in het bijzonder naar onze omgang met mensen. Als we eten komen we in contact met iets wat buiten onszelf is, iets wat niets met onszelf te maken heeft. Als we dit toch eten kan dat ons innerlijk raken. In Leviticus 11 zijn de dingen die we eten een beeld van mensen en het eten zelf verwijst naar onze omgang met mensen.

Eten is niet zomaar in aanraking komen met iets, maar je ontvangt ook iets in je innerlijk. Zodra we iets naar binnen hebben gekregen kan dat worden verteerd en opgenomen in onze stofwisseling als een voedingsstof, als iets waarmee we worden samengesteld in ons wezen. Wij zijn allemaal het resultaat van het voedsel dat we eten en verteren. Uiteindelijk worden wij dat wat we eten en verteren; het wordt onze samenstelling.

Dit geeft aan dat het omgaan met mensen een belangrijke zaak is. Als we een heilig leven willen leiden zoals door God vereist, behoren we zorgvuldig te zijn in de keuze met wie we omgaan. Onze omgang met bepaalde typen mensen kan ons zomaar met iets anders samenstellen en ons maken tot een heel ander mens. Waar we mee omgaan zullen we ontvangen, en wat we ontvangen zal ons opnieuw samenstellen, waardoor we een ander soort mens worden dan we nu zijn. (Life-study of Leviticus, pp. 313-314)