Redding en uitverkiezing

"Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren" (Mat.22:14)

"Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh.12:32 )

Overgenomen van: Verborgen Manna

INLEIDING

Wat is Gods plan met de mens? Wat is uitverkiezing? Wie zijn de uitverkorenen? Wat zijn eerstelingen? Wat is verloren gaan? Wie worden gered?

Deze vragen worden doorgaans als volgt beantwoord: "God had de mens geschapen, maar de slang verleidde hem tot zonde. Daardoor raakte de mens van God vervreemd. Om dat te herstellen zond Hij Zijn Zoon. Deze stierf voor onze zonden en nam onze schuld op Zich. Uitverkorenen (en dat zijn er betrekkelijk weinig) aanvaarden dat en gaan naar de hemel. Alle anderen gaan verloren en worden eeuwig gepijnigd in de hel".

Daar schuilt natuurlijk waarheid in. Maar is het echt Gods wil, dat mensen, die nooit van Jezus hebben gehoord, voor eeuwig gepijnigd worden? Straft Hij zonden, die in de korte tijd hier op aarde worden gedaan, echt af met een altijddurende verdoemenis in de hel? Hij is toch rechtvaardig! Had God in Zijn plan de redding van maar weinig uitverkorenen op het oog en de ondergang van zeer velen? Druist dat niet in tegen Zijn wezen, als liefdevolle, rechtvaardige, almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde?

GODS WEZEN

Wat een vragen allemaal, vragen, die nooit bevredigend zijn te beantwoorden, als wij een verkeerd beeld van God hebben. Dan is het onmogelijk te begrijpen, waarom Hij bepaalde dingen doet of niet doet. Hoe is Hij? Wat is Zijn wezen?

God is liefde (1Joh.4:16). Hij wil het goede en het welzijn voor alle mensen (Rom.5:18b, 1Tim.2:4,4:10). Hij wil niet, dat wij verdriet of pijn hebben, behalve dan om ons door lijden heen te louteren en te zegenen, zoals Hij dat bijvoorbeeld deed in het leven van Job.

God is alwetend, alwijs. Hij is de Volmaakte in kennis, die Zijn raadsbesluit volbrengt tot heil voor de gehele schepping (Job 37:16, Jes.46:10,Rom.8:21). Ontelbare gebeurtenissen in de hemel en op de aarde en talloze plannen voor afzonderlijke mensen zijn in Zijn plan inbegrepen. Hij heeft alles met wijsheid gemaakt (Ps.104:24). Alles overziet Hij. Door Zijn wijsheid past alles harmonieus in elkaar.

God is de Almachtige. Niets staat Zijn liefdevolle, alwijze plannen in de weg, ook satan niet. God schaakt niet met wit en de duivel met zwart. Wij dénken, dat satan een tegenzet deed in Genesis 3, omdat wij Gods plan niet begrijpen. Er is geen God als Hij! Zijn wegen en gedachten, Zijn liefde, Zijn macht, Zijn reddings- en verzoeningsplan, Zijn verlossingswerk, enz. zijn oneindig veel hoger dan onze ideeën (Jes.55:9). Hij is de Almachtige.

God is ook de Algoede. Hij doet alles in goedheid en liefde en daarom kiest Hij voor ons altijd het goede. "De Heer is voor allen goed en Zijn barmhartigheid is over al Zijn werken" (Ps.145:9).

GODS WOORD

Bij het nadenken over vragen als "wat is uitverkiezing?" en "wie worden gered?" moeten wij nooit de almachtige, alwetende, algoede God die liefde is uit het oog verliezen.

Natuurlijk liggen de antwoorden op die vragen in Zijn Woord. Ga dan niet alléén uit van de bijbel, maar van het Levende Woord. Zonder Gods Geest komen wij er niet uit. De letter alleen doodt, verblindt. Het Woord van de Geest maakt levend (2Cor.3:6).

Dat zien wij al in Jezus' dagen. Geestelijke leiders bestudeerden de schrift en meenden daarin eeuwig leven te vinden (Joh.5:39). Maar zij wilden niet tot Jezus komen om leven te hebben (Joh.5:40). Ze namen Hem niet aan (Joh.1:11). Ze haatten Hem om wat Hij zei (Joh.15:25). Ze bleven dan ook in duisternis ronddolen, als blinde wegwijzers (Mat.6:23b, 23:13-39).

Ook nu wordt er veel studie gemaakt van de schrift. Ook nu mogen wij leren "zien" door het Woord Gods dat tot ons komt door de levendmakende Geest van de waarheid (Joh.14:17, 15:26, 1Cor.15:45). Als ook wij uitgaan van de bijbel alleen, zonder te leven met en uit die Geest, zullen ook wij in het duister blijven tasten omtrent tal van waarheden.

UITVERKIEZING EN REDDING VOOR WIE?

Bij het bestuderen van de bijbel moeten wij ons dus laten leiden door het levende Woord van Gods Geest en ons altijd afvragen, of onze conclusies wel overeen komen met Zijn wezen. Dat zijn de uitgangspunten. En gaat een conclusie in tegen hoe Hij in wezen is of wat Hij tot ons spreekt, dan klopt er iets niet.

Die twee uitgangspunten moeten we zeker voor ogen houden als we gaan nadenken over Gods plan van uitverkiezing en redding. Want op het eerste gezicht lijken veel teksten elkaar tegen te spreken. Soms lijkt de bijbel te zeggen, dat Gods heil voor betrekkelijk weinig mensen is bestemd. Dan weer lijkt het, alsof het de Vader gaat om redding van alle mensen.

JEZUS' WOORDEN

Neem nu Jezus' woorden. Hij spreekt over "een klein kuddeke" (Luc.12:32). Hij zegt, dat "velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren" (Mat.22:14). "Weinigen zullen de weg ten leven vinden" (Mat.7:14). Ja, zelfs "velen zullen trachten in te gaan, maar het niet kunnen" (Luc.13:24).

De Heer spreekt hier over weinigen, die tijdens hun leven de weg ten leven zullen vinden en bewandelen. Wij moeten dan denken aan hen, "die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat" (Op.14:4a). Zij komen te staan met Hem op de berg Sion, als eerstelingen (Op.14:1, 4b). Weinigen. Uitgedrukt in een symbolisch getal: 144.000 (Op.7:5-8).

Maar Hij zegt ook: "De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven" (Joh.3:35). "Zie, Ik maak alle dingen nieuw" (Op.21:5). En: "Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben van de hemel neergedaald, niet om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het zal opwekken op de jongste dag" (Joh.6:37-39). En "als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh.12:32).

Nu spreekt Hij over alles, alle dingen, allen. Hij is niet alleen de Koning van de 144.000 koningen, die met Hem zijn, op de troon (Op.14:1). Hij is ook de Heer voor een geweldig "grote schare, die niemand tellen kan, uit alle volk en stammen en natiën en talen", die voor Hem staan, voor de troon (Op.7:9). Hij is "de Heiland voor alle mensen" (1Tim.4:10). Want alle volken zullen komen tot de troon in het hemelse Jeruzalem (Op.21:24-27).

DE WOORDEN VAN DE APOSTELEN

Die twee categorieën worden ook door de apostelen onderscheiden. Paulus zegt, dat sommigen gered worden en anderen verloren gaan, aardsgezind als ze zijn (2Cor.2:15). Zij wandelen naar het vlees, waarvan het einde (Grieks: telos=doel) verderf is (Grieks: apoleia=verlies). Hun leven eindigt op de brede weg met verlies. Zij missen het gelijkvormig worden aan het lichaam van Christus (Fil.3:18-21). Gelovigen, die "het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen, zullen (nu reeds) boeten met een aionisch verlies, ver van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn macht" (2Thes.1:8-10). Maar laten wij, zegt Paulus, die burgers van een rijk in de hemelen zijn, de smalle weg bewandelen en "de Heer Jezus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig kan worden door Zijn kracht" (Fil.3:20-21).

In de Hebreeënbrief lezen we, dat we moeten jagen naar volmaaktheid (Heb.6:1). Maar "als wij opzettelijk zondigen, na tot erkentenis van die waarheid gekomen te zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een uitzicht op het oordeel en een vuur" (Heb.10:26-27). We lezen, dat "het vreselijk is, te vallen in de handen van de levende God", want "onze God is een verterend vuur" (Heb.10:31, 12:29). Het verlies (verderf) is dan nooit meer goed te maken: "als iemands (aardsgezinde) werk verbrandt, zal hij schade lijden, maar hij zelf zal gered worden, als door vuur heen" (1Cor.3:15).

Luister eens naar Petrus: "Het is nu de tijd, dat het oordeel (het louterende vuur) begint bij het huis van God. En als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie? Als zij die rechtvaardig leven al ternauwernood gered kunnen worden, hoe moet het dan gaan met hen die zondigen doordat ze God niet gehoorzamen?" (1Pet.4:17-18). Ze roepen zelf Gods louterende vuur over zich af. Er zijn zelfs leraars, die de Heer die hen gekocht heeft, verloochenen en zo verderf (=verlies) over zichzelf brengen: het zal hen vergaan als Sodom en Gomorra, door vuur en zwavel heen (2Pet.2:1,6,12).

Al deze teksten gaan over de brede weg, die ten verderve leidt. Maar weinigen vinden de weg ten leven en wandelen daarop. Weinigen zijn door Hem gemaakt in Christus Jezus om het goede te doen en op Zijn weg te wandelen (Ef.2:10). Weinigen laten zich vrijwillig louteren, als "Hij zal zitten en hen als priesters zal louteren als goud en zilver" (Mal.3:3).

Aan de andere kant lezen wij ook bij de apostelen over allen. Petrus citeert de woorden die God Zelf sprak, dat in Abraham "alle geslachten van de aarde gezegend zullen worden" (Gen.12:3, 22:18), woorden, waaraan hij de "wederoprichting van alle dingen" verbindt, "waarvan God gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten" (Hand.3:21,25).

Paulus zegt, dat God ons het geheimenis van Zijn wil en Zijn plan heeft doen kennen om "alles wat in de hemelen én op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten", om "door Hem alle dingen weer met Zich te verzoenen" (Ef.1:9-10, Col.1:20). Hij zegt, dat "de hele schepping in al haar delen zucht en zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen" (Rom.8:19-23). En ook dat God de wereld met Zichzelf heeft verzoend (2Cor.5:19). Dat Christus de duivel heeft onttroond (Heb.2:14). En dat het daardoor "voor alle mensen komt tot rechtvaardiging ten leven" (Rom.5:17-18). "Want zoals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1Cor.15:22). Het einde (=einddoel) komt, "wanneer alles Hem onderworpen is" en "God alles in allen" is (1Cor.15:24-28), "opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader" (Fil.2:10-11). "Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij én over doden én over levenden" Heer zou zijn (Rom.14:9). Hij is namelijk de Redder "voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen" (1Tim.4:10). De Vader "wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen" (1Tim.2:4). Hij ontfermt Zich over allen (Rom.11:32). Jezus gaf Zich "tot een losprijs voor allen" (1Tim.2:6).

Ook Johannes herhaalt keer op keer, dat "de Vader de Zoon gezonden heeft als Redder van de wereld" (1Joh.4:14). "Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden" (Joh.3:17). Hij is "het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh.1:29). "Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de hele wereld" (1Joh.2:2).

DE GANGBARE OPVATTING

Wat hebben deze "tegenstrijdigheden" ons te zeggen?

De meeste van ons denken, dat ze betekenen, dat sommigen worden gered en alle anderen eeuwig verloren gaan. De geredde mensen zijn de uitverkorenen, een klein kuddeke. Zij die verloren gaan komen in een eeuwige "tweede dood" terecht, die bestaat uit oneindige kwellingen en pijn. "In Christus zullen allen levend gemaakt worden" geldt alleen maar voor allen die in Hem hebben geloofd. Ons is geleerd, dat Het Lam Gods de zonde wel van de wereld wegneemt, maar alleen van wie in Hem gelooft. Over teksten als "Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de hele wereld" praat men liever niet.

Zo heeft het orthodoxe christendom deze schijnbare tegenstrijdigheid opgelost: de ene kant laat men gelden en de andere kant wordt genegeerd. Zo heeft men een beeld van God gecreëerd, zoals Hij in wezen niet is en zoals Hij in de bijbel ook niet wordt beschreven.

Sommigen hebben wel aangevoeld, dat er iets niet klopte en hebben zich afgevraagd, hoe het dan moet met mensen, die sterven zonder ooit van Jezus te hebben gehoord. Of met kinderen die overlijden, voordat zij voor Hem konden kiezen. Zij bieden een soort compromis en trochelen satan een groot gedeelte weer af, want, zeggen zij, wie in onwetendheid of als kind sterft, gaat niet naar de hel. Want God is toch rechtvaardig.

Wat een "ijver voor God, maar zonder verstand" (Rom.10:2). Dat is toch geen blijde boodschap van een almachtige, alwijze, alwetende God, die liefde is? Zo'n redenatie is toch een bewijs, dat men niets begrijpt van Gods plan met de schepping.

Als wij een glimp van dat plan ontvangen, met verlichte ogen van ons hart, zien wij in dezelfde teksten die zo tegenstrijdig lijken, de oplossing van het raadsel. Pas als de Geest Gods ons het geheimenis van Zijn plan laat zien, begrijpen we, dat Hij alles wat in de hemel en wat op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, gaat samenvatten" (Ef.1:9-10).

DE BIJBEL: NERGENS TEGENSTRIJDIG

Wij hebben namelijk niet te maken met tegenstrijdigheden, maar met twee verschillende zaken: uitverkiezing (voor weinigen) en redding (voor allen). De Vader is genadig voor iedereen. Uit die allen kiest Hij sommigen uit voor een bepaalde taak: om koning te zijn, of priester. Of anders gezegd: om uit al Zijn kinderen te worden aangesteld als zoon, die namens Hem mag optreden (vgl. Mar.14:36, Rom.8:15, Gal.4:6). Dat is toch geweldig! Als dát geen blijde boodschap is!

Als wij uitverkiezing tot zoonschap en redding voor allen naast elkaar zetten is er geen sprake meer van een tegenstrijdigheid. Weinigen vinden de weg ten leven én in het zaad van Abraham worden alle geslachten van de aarde gezegend (Mat.7:14, Gen.12:3). Jezus zegt een kleine kudde te hebben én dat Hij iedereen tot Zich zal trekken (Luc.12:32, Joh.12:32). Er zijn weinigen uitverkoren voor koninklijk priesterschap, én de hele schepping zal een algehele bevrijding ervaren (Mat.22:14, Rom.8:19-23).

Ook wat het oordeel betreft valt er nu een ogenschijnlijke "tegenstelling" weg. Zonder uitzondering krijgt iedereen te maken met Gods oordeel. Zij, die met Jezus leven, laten dit louterende vuur tijdens hun leven vrijwillig toe. Het begint bij hen, het huis van God (1Pet.4:17). Zij worden nu gelouterd als goud en als zilver (Mal.3:3). Zij verlangen nu al, dat al het vleselijke wordt weggebrand en als kaf verdwijnt (Fil.1:20). Dat is geen verlies, geen verderf, maar winst. Want het leven is voor hen Christus, zoonschap, en het sterven gewin (Fil.1:21). Zij staan dan ook op ten leven, want zij kennen Jezus als opstanding (Joh.5:25). Zij "zullen van de tweede dood dan ook geen schade lijden" (Op.2:11). "Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht; zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen" (Op.20:6).

Wie het louterende oordeelsvuur nu niet aanvaardt, wandelt op de brede weg. Zonder het te beseffen is verderf (=verlies) het einde van elk aardsgezind, ik-gericht mens, of hij nou gelovig is of niet. Hij heeft het gelijkvormig worden aan het lichaam van Christus dan gemist (Fil.3:18-21). Hij heeft "ver van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn kracht" geleefd (2Thes.1:8-10). Hij heeft de oordeelsloutering nog nodig. Hij zal eerst moeten opstaan ten oordeel (Joh.5:29). In dat oordeel lijdt hij nóg meer verlies, want al zijn werk verbrandt. Hij wordt wel gered, maar als door vuur heen (1Cor.3:15).

Zo vergaat het ieder, die "opzettelijk zondigt, na tot erkentenis van de waarheid te zijn gekomen" (Heb.10:26). De Geest der Waarheid wil ons alles leren en alles geven (Joh.14:26, Rom.8:33). Voor wie dat negeert, blijft alleen maar een uitzicht over op een onvrijwillig oordeelsvuur (Heb.10:27). "Lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel" (Op.21:8). Zeker, ook zij zullen worden gered, maar ook als door vuur heen.

DE UITVERKORENEN

In zijn tijd zag Paulus Gods plan als geen ander, zeker wetend dat Hij alle mensen redt. Maar hij schrijft aan mensen, die Jezus al als Redder hebben aanvaard. Hij richt zich tot gelovigen met de boodschap van de hoop der heerlijkheid (Col.1:27). Wat hij daaronder verstaat? Niet het gaan naar de hemel later, maar zoonschap nu.

Hij schrijft: "Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. En die Hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt" om hun (uitverkorenen) "met Hem alle dingen te schenken" (Rom.8:29-33). "In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen" (Ef.1:5). "In Hem hebben zij een erfdeel ontvangen, waartoe zij tevoren bestemd waren" (Ef.1:11).

En hij zegt: "Wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid van God, die Hij voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid" (1Cor.2:7). "Ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden" (Rom.8:18).

Paulus kende Gods plan en hij wist, dat na redding het volgende stadium zoonschap zou zijn: de openbaring van zoonschap in ware discipelen, niet later, maar heden. Hij zegt bijvoorbeeld: "Het heeft Hem behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren....." (Gal.1:15-16).

Wat houdt dit allemaal in? Het is veel meer dan redding van zonden alleen, om láter naar de hemel te kunnen gaan. Het is: tal van geestelijke realiteiten nu gaan zien en ontvangen. God kan door de kracht van Zijn Geest "oneindig veel meer doen dan wij bidden of beseffen" (Ef.3:20-21). Dat meerdere is: zoon worden, eersteling zijn, het erfdeel ontvangen, de heerlijkheid van God zien, enz. enz. Hij kiest de Zijnen daarvoor uit en roept die allen. "In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen" (Ef.1:5).

Wij zullen nu bespreken, wie die uitverkoren zonen en eerstelingen zijn, hoe ze zullen zijn en wat ze zullen doen.

uitverkoren om een zoon te zijn ...

"God heeft ons uitverkoren voor de grondlegging van de wereld en in liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus" (Ef.1:4-5).

Jezus Christus en de Christus worden afzonderlijk vermeld in een geslachtsregister als het 41ste en 42ste geslacht (Mat.1:16-17). Daarin is Jezus de geestelijke vader van de zonen. Hij is immers het Kind, dat ons geboren is, de Zoon, die ons gegeven is, de Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst (Jes.9:6).

Het geslachtsregister telt 42 generaties, 3x14. In de derde reeks van veertien geslachten is Jezus de 13de, de Zoon, die tot zonde werd gemaakt (2Cor.5:21, 13=zonde). De Christus (=de zonen) zijn de 14de generatie (14=2x7=een dubbel deel, 42=7x6=volheid in het vlees).

Dit register (Grieks: boek van afkomst) laat ons de mannelijke lijn zien: van de Zoon en de zonen (mannelijk=zaadgevend, levengevend). Het toont ons de afstamming vanaf Abraham, vader van de gelovigen. Jezus leefde op aarde in volmaakt geloof en gehoorzaamheid aan God de Vader en werd op 30-jarige leeftijd tot Zoon Gods verklaard (Mat.3:17). Hij werd Zoon, Gever (Joh.10:10b). Jezus zegt: "Wie overwint zal Mij een zoon zijn" (Op.21:7). Hij wordt ook zoon, een gever van levend water (Joh.7:38). Het woord dat van hen uitgaat is als vloeiend goud (Zach.4:12, goud duidt op de goddelijke natuur). Ze zij zonen van God.

uitverkoren om eersteling te zijn ...

Eerstelingen zijn eerder rijp dan anderen. Zij staan in Christus op, als eersten. Als bijvoorbeeld een Lazarus, die de Heer liefhad (Joh.11:1-4,43). Met een stem als een bazuin roept Hij allen uit, die in Christus gestorven zijn. Zij staan als eersten op (1Thes.4:16). Zij zijn de volle aar, Zijn loon. "Zeg tot de dochter van Sion: uw heil komt; Zijn loon is bij Hem. En men zal hen noemen: Het heilige Volk, De Verlosten van de Heer" (Jes.62:11). Jezus roept eerstelingen uit.

Eersteling zou niet op zichzelf blijven: de graankorrel is in de aarde gevallen en brengt een volle aar op (Joh.12:24). Hij werd gezaaid om zonen voort te brengen: Jezus is "de eerstgeborene van vele broeders" (Rom.8:29). Het zijn allemaal mensen, die God "als eerstelingen voor Zich heeft uitgekozen" (2Thes.2:13). Ze zijn "geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus" (2Thes.2:14). Geheel volgens Zijn plan heeft Hij hen "voortgebracht door het woord der waarheid, om eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen" (Jac.1:18). Het zijn eerstelingen "voor God en voor het Lam" (Op.14:4).

uitverkoren om een gezalfde te zijn ...

De Zoon en de zonen zijn door God gezalfd met Zijn Geest. Daarom heet onze Heer: Jezus Christus (=gezalfde), en worden de zonen Gods de Christus genoemd in Matthéüs 1:17.

Zacharia zag de volheid van de Christus in een visioen en begreep niet wat hij zag (Zach.4:11-12). Een engel legde het uit: "Zij zijn de twee gezalfden (letterlijk: de twee zonen van olie), die voor de Heer van de ganse aarde staan" (Zach.4:14, twee duidt op de Christus). Zij zijn de "twee" gezalfden, die door Jezus tot heerlijkheid (=zoonschap) zijn gebracht (Hebr.2:10). Het zijn de "twee" gezalfde getuigen (Op.11:3-4).

uitverkoren om zonder vlek en rimpel te zijn ...

Wie uit de mensen als eerstelingen worden geroepen, worden zonder vlek, zonder leugen, zonder rimpel (Op.14:4-5). Al het onzuivere wordt verwijderd (Jes.1:22,25). "Hij komt tot Zijn tempel", tot hen "die bij Hem zijn, die én geroepen zijn, én uitverkoren, én trouw" (Mal.3:1, Op.17:14, letterlijk). Hij loutert hen als goud en zilver (Mal.3:1-3). Hij heeft hen "in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht" (Ef. 1:4).

De Heer Jezus was voor de grondlegging uitverkoren om op aarde heilig en onberispelijk te leven, als een vlekkeloos lam (1Petr.1:19). Maar ook de zonen heeft Hij voor de grondlegging der wereld uitverkoren om onberispelijke koningen en priesters te zijn. "God is het, die ons dáártoe bereid heeft" (2Cor.5:5). Hij heeft ons "uitverkoren, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn" (Ef.1:4).

uitverkoren om geestelijk volwassen te zijn …

In de bijbel spreekt het getal 30 van geestelijke volwassenheid. Jozef was dertig jaar oud, toen hij onderkoning van Egypte werd (Gen.41:46). David was dertig, toen hij koning van Israël werd (2Sam.5:4). En Jezus was, toen Hij aan Zijn bediening begon als ware Koning en Hogepriester, dertig jaar oud (Luc.3:23).

God werkt met het lichaam van Christus toe "naar de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef.4:13). Zonen Gods zijn geestelijk volwassen geworden. Daarom moesten de ark van Noach (een beeld van het lichaam van Christus) en de tempel van Salomo (ook een beeld van de Christus) dertig el hoog zijn (Gen.6:15, 1Kon.6:2). God kiest de Zijnen uit om tot volle wasdom te komen, tot geestelijke volwassenheid.

uitverkoren om vrij te zijn ...

Zonen Gods moeten eerst zelf vrij zijn om anderen te kunnen losmaken. Daarom bracht God Mozes in een veertig jaar durend losmakingsproces (40=beproeven). Daarna kon Hij hem pas terugsturen naar Egypte om Gods volk uit te leiden.

De Heer Jezus begon Zijn bediening met het voorlezen van het volgende schriftgedeelte: "De Geest van de Heer is op Mij. Hij heeft Mij gezonden om gevangenen loslating te verkondigen, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid" (Luc.4:18-19). Later zegt Hij: "Jullie zullen de waarheid verstaan, en de waarheid zal jullie vrijmaken" (Joh.8:32). En "wanneer dan de Zoon jullie vrijgemaakt heeft, zullen jullie werkelijk vrij zijn" (Joh.8:36). En Paulus schrijft daarover: "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houd dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen" (Gal.5:1).

Vrijheid is essentieel voor zoonschap. Wie het Lam volgt, waar Hij ook heengaat, wordt losgekocht van de aarde (Op.14:3). Ook van alle aardse godsdienstige structuren. Gods zonen worden uitgeleid uit Babel (=zielse godsdienstbeleving) en uit Egypte (=vleselijkheid). De goede Herder brengt hen in het hemelse Jeruzalem, de vrije stad (Gal.4:26). De kracht van Gods Geest maakt hen vrij, om dáár áller dienstknecht te zijn.

uitverkoren om verlost te zijn van het lichaam dezes doods ...

Het getal 300 spreekt van volkomen verlossing. "Henoch wandelde met God driehonderd jaar en hij was niet meer, want God had hem opgenomen" (Gen.5:22-24). Door driehonderd man verloste God Zijn volk van Midian (Richt.7:7,8,16,20,22). De ark van Noach was driehonderd el lang (Gen.6:15).

Dat algehele verlossing bestemd is voor "het lichaam van Christus" blijkt uit de zalving te Bethanië. Maria zalfde Jezus' lichaam vlak voor Zijn sterven met mirre. Mirre (=mara=bitter) duidt op lijden. Zij zalfde niet alleen Zijn hoofd, maar ook de voeten (Marc.14:3). De mirre had een waarde van driehonderd schellingen (Joh.12:3-5). Driehonderd! Volkomen verlossing door lijden heen. Dat gold van "Hoofd tot voeten", voor alle uitverkoren zonen Gods, voor alle 144.000 (=6x8x10x300) "losgekochten van de aarde" (Rom.8:19, Op.14:2-5).

uitverkoren om een verlosser te zijn ...

Het is Gods plan om de hele schepping van slavernij te verlossen "tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen" (Rom.8:21). Daartoe zijn allereerst Jezus én ook de zonen Gods gezonden: om te verlossen (Luc.1:74, Rom.8:19-21). Als de heerlijkheid van de Heer wordt geopenbaard en alle vlees Zijn heil zal zien, gebeurt dat door de volheid van Christus. De Verlosser is het Hoofd van een lichaam van verlossers.

Daarom staat er: "Verlossers zullen de berg Sion bestijgen om gericht te oefenen over het gebergte van Ezau" (=het vleselijke en het zielse, Ob.21). De Staten Vertaling zegt: "Er zullen heilanden op de berg Sion opkomen". Verlossers. De Almachtige doet hen als eerstelingen opstaan uit de regionen van het vleselijke, het zielse, de dood. Hij leidt hen tot op de berg Sion (berg=kracht, Sion=de Heilige Geest) om verlossers te zijn.

uitverkoren om koning en priester te zijn ...

Jezus is onze Koning en Hogepriester, met eer en heerlijkheid gekroond (Heb.2:9). Hij maakt uitverkorenen van alle tijden tot koningen en priesters (Op.1:6). Zij zullen met Hem zitten op de troon in smetteloos witte priesterkleding, om met Hem te regeren, te richten en te zegenen (Zach.6:13, Mat.19:28, Op.3:21, Deut.10:8).

Deze eerstelingen zijn aan Hem gelijkvormig geworden: zij hebben Jezus gevolgd tot waar Hij nu is: tot op Sion, tot achter het voorhangsel. Dat is tot in het heilige der heiligen! "Die hoop hebben zij als een anker, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus als vóórloper is binnengegaan" (Hebr.6:19). Zij zien niet uit naar later alleen, om dan te leven ginds in de hemel. Zij leven in de hemel hier op aarde! Hier worden zij gemaakt tot koningen en priesters, op de smalle weg.

uitverkoren om een deur te zijn ...

Jezus is de deur van de schapen (Joh.10:7). De zonen Gods zijn de poorten van het nieuwe Jeruzalem. Er zijn twaalf poorten. En op de poorten twaalf engelen, angelos, boodschappers (Op.21:12). Weer het getal 12: verkiezing tot koninklijk priesterschap. Als de Heilige Geest in ons regeert, wordt ons leven een deur voor anderen, om het hemelse Jeruzalem binnen te gaan (Op.21:24-25).

De twaalf poorten van de stad dragen de namen van de stammen van Israël (Op.21:12). Ze laten ieder een aspect zien van zoonschap: Ruben (=zie, een zoon), Simeon (=die hoort), Levi (=die gehecht is), Juda (=die dankt), Zebulon (=woning), Issaschar (=er is loon), Gad (=die ziet), Aser (=gelukzalige), Nafthali (=worsteling), Efraïm (=vruchtbaar), Manasse (=die vergeten doet) en Benjamin (zoon van mijn rechterhand).

Elke poort is één grote parel (Op.21:21). Waarom? Omdat de groei van een parel schitterend overeen komt met de wijze waarop zonen komen tot heerlijkheid Gods: door lijden heen. Leest u maar eens na, hoe parels ontstaan: ze kunnen niet gevormd worden zonder innerlijke pijn en genezing.

Van de Zoon wordt gezegd, dat God Hem "door lijden heen zou volmaken" (Hebr.2:10). Het Grieks voor lijden is hier pathema en betekent: "wat men heeft ondergaan", zoals ontberingen, pijn. Iets verder lezen wij, dat "Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden" (Hebr.5:8). Hier staat het Griekse woord pascho, wat betekent "een gevoel ervaren". Dus door alle bittere ervaringen, die de Heer Jezus moest doormaken, werd Hij toebereid en vervolmaakt voor Zijn grote taak als geestelijke Hogepriester en Koning der koningen. De zonen gaan een identieke weg. Zij volgen Hem, waar Hij ook heen gaat (Op.14:4).

uitverkoren om een muur te zijn ...

De Almachtige is als een beschermende muur. David zegt: "U omgeeft mij van achteren en van voren en U legt uw hand op mij" (Ps.139:5).

De muur om het hemelse Jeruzalem is 144 el hoog (12x12, Op.21:12, 15-18). Weer dus het getal 12, dat hoort bij uitverkoren zonen. Tevens betekent een muur veiligheid, heil. "Te dien dage zal in Juda dit lied gezongen worden: Wij hebben een sterke stad; Hij stelt Heil tot muren" (Jes.26:1). De Heer zal door de zonen Zijn redding en heil tonen aan allen die nog buiten staan.

Wie een ommuurde stad nadert, ziet de muur al van ver. Wie de tabernakel naderde, zag al op afstand de blinkende omheining van het witte linnen. Wie oog krijgt voor het nieuwe Jeruzalem, begint Gods geweldige heil en Zijn heerlijkheid te ontwaren.

Wat een muren van heil! De ganse schepping ziet uit naar de openbaring ervan (Rom.8:18-19). De muren zullen roepen: "O, alle dorstigen, kom tot de wateren, en jullie die geen geld hebben, kom, koop en eet; ja kom kopen zonder geld en zonder prijs wijn en melk" (Jes.55:1). "En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft mag komen, en wie wil, mag voor niets het water des levens nemen" (Op.22:17).

uitverkoren om een fundament te zijn …

Wij weten, dat God "in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen heeft gelegd" (1Pet.2:6). Dat is Jezus. Maar naast Hem als hoeksteen bestaat het fundament van het hemelse Jeruzalem ook uit zonen. Paulus spreekt van een "fundament van apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is" (Ef.2:20). En het boek Openbaring vertelt, dat "de muur van de stad twaalf fundamenten heeft, met daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam" (Op.21:14).

Er zijn twaalf fundamenten. Geen afzonderlijke fundamenten, die ieder een bepaald gedeelte van de stad dragen: "Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! Ik van Kefas! En ik van Christus!" (1Cor.1:12). Nee, zij geven met en op elkaar perfecte steun aan het geheel. Wonderlijk, dat Johannes de fundamenten ziet, "met allerlei edelgesteente versierd". Ze liggen niet ondergronds, maar duidelijk zichtbaar onder het hemelse Jeruzalem, als geopenbaarde juwelen in Gods hand.

uitverkoren om Gods wegen te kennen ...

Veel kinderen van God zien Zijn daden en kennen Zijn zegeningen. Maar aan zonen maakt Hij Zijn wegen bekend. "Hij maakte Mozes Zijn wegen bekend, de kinderen Israëls Zijn daden" (Ps.103:7). Welzalig die Zijn Woord bewaren en wandelen in Zijn wegen (Ps.119:2-3).

De Heer Jezus wandelde zó met de Vader, dat Hij kon zeggen: "Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Joh.14:6). Wie geleid wordt door de Geest van zoonschap, kent die Weg. Die leeft met Jezus zoals Hij nu is: levendmakende, vernieuwende Geest (2Cor.5:16). Hij bewandelt zodoende de weg tot de volle waarheid (Joh.16:13). Er is dus "een gebaande weg, die de heilige genaamd wordt. Geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn. Reizigers noch dwazen zullen erop dolen. Er zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier. Alleen de verlosten wandelen daarop" (Jes.35:8-9). En als God die weg aan ons bekend maakt, mogen wij met volle vrijmoedigheid ingaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg. Dat mogen we doen in volle zekerheid van het geloof, en met een waarachtig hart dat gezuiverd is van besef van kwaad (Hebr.10:19-22).

uitverkoren om lichtende sterren te zijn ...

De Heer Jezus zei: "Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld" (Joh.9:5). Hij is "de blinkende morgenster" die kon stralen als de zon (Op.22:16, Mat.17:2).

In Jesaja zegt God tot de Zijnen: "Ik stel u tot een licht der volken, opdat Mijn heil zal reiken tot het einde van de aarde" (Jes.49:6). Jezus zei tegen Zijn discipelen: "Jullie zijn het licht van de wereld" (Mat.5:14). Hij zei ook, dat "de rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het Koninkrijk van de Vader" (Mat.13:43). Zij zijn als zeven sterren in Jezus' rechterhand, als lichtende boodschappers van Zijn "zeven" gemeenten (Op.1:16, 20).

Eerst had de Zoon de naam van de Vader aan de mensen geopenbaard (Joh.17:6). Nu vergadert God Zich een volk van zonen, dat Hij zal stellen "tot een licht voor de volken" (Jes.49:6). Zij zullen de heerlijkheid van de hemelse Vader aan de hele schepping openbaren (Rom.8:19).

Verstaat u dat? "Sta dan op en word verlicht! (andere vertaling: schijn!). Sta op en ga schijnen, want uw licht is gekomen en de heerlijkheid van de Heer is over u opgegaan" (Jes.60:1). Wees een lichtende ster!

VERLOREN GAAN

Er blijft geen offer over voor wie van uitverkiezing wéét en er niets mee doet (Heb.10:26). Dan is hij voor zoonschap, geestelijke volwassenheid, lichtende ster, eersteling, koningschap, priesterschap, enz., enz., verloren. Als hij opzettelijk blijft zondigen en al zijn bezit als een verloren zoon blijft verkwisten in een vreemd land (=Babel), kan er alleen maar gebrek, verlies en oordeel volgen, om hem tot inkeer te brengen (vgl.Luc.15:14-17, Heb.10:26-27).

Bij verloren gaan moeten wij niet denken aan de traditionele uitleg daarvan, aan een eeuwigdurende verdoemenis in de hel. Er gaat geen mens verloren voor de eeuwigheid later. Geroepen gelovigen kunnen verloren gaan voor zoonschap, nu.

Wie tot erkentenis van de waarheid is gekomen en opzettelijk zijn doel blijft missen (=zondigen), is een verloren zoon. Hij verkwist alleen maar, wat hij van de Vader heeft ontvangen en leeft "ver van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn sterkte" (2Thes.1:8-10). Hij wandelt naar het vlees, op de brede weg. Hij mijdt de smalle weg, waarop je dagelijks je kruis moet opnemen, om jezelf te verloochenen en het vlees te kruisigen (Luc.9:23). Daardoor blijven zijn (godsdienstige) werken vleselijk, verstandelijk, uiterlijk, ziels, zonder waarachtig geestelijk leven. Hij kan dan ook niet groeien tot geestelijke volwassenheid en gelijkvormigheid aan het verheerlijkte lichaam van Christus (Phil.3:18-21). Hij blijft in alles ziels, aardsgezind, aardsgericht. Hij blijft een vleselijk, aards christendom dienen. Hij beleeft niets van burger te zijn van een rijk in de hemelen (Phil.3:20-21). Kortom: hij is een verloren zoon.

Er rest hem alleen het laatste onvrijwillige oordeel (Joh.5:29, Luc.15:14-16). Dat is het enige dat zijn oude mens met al zijn aardsgerichte, zielse en dode werken dan nog kan verteren (Heb.10:26-27). In dat oordeel komt hij tot inkeer , omdat duidelijk wordt, dat maar weinig, of misschien wel helemaal géén van zijn werken in God blijken te zijn verricht (Luc.15:17-20, Op.3:21). Hij wordt wel gered, maar als door vuur heen. Hij zal God wel zien, want Hij is een liefhebbende Vader die op de uitkijk staat, net als in de gelijkenis van de verloren zoon. Maar als Deze hem ziet terugkomen, is hij leeg en naakt (Luc.15:22-23, 2Cor.5:3).

GODS PLAN

Eens zal "elk oog Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken" (Op.1:7). Jezus zal allen tot Zich trekken (Joh.12:32). God redt iedereen. Maar eerst vergadert Hij Zich op aarde "144.000" mensenzonen voor Zijn naam (Hand.15:14). Zij bestijgen als eerstelingen de berg Sion (Ob.21, Jac.1:18). Zij ontvangen het volle erfdeel: innerlijke heerlijkheid, geestelijke volwassenheid (Joh.11:40, Ef.1:11, 4:13-15, Rom.8:15). Zij worden gemaakt tot koningen en priesters, die gericht kunnen gaan oefenen over alles wat vleselijk is en ziels (Op.5:10, Ob.21). En wat is richten? Recht zetten! Zij oordelen met een waarachtig oordeel. En wat is oordelen? Corrigeren! Op het openbaar worden van die zonen Gods wacht de ganse schepping dan ook met smart (Rom.8:19). Zij zijn namelijk een belangrijke schakel in Gods verlossingsplan.

Wat is dat plan eigenlijk? Er staat, dat alle dingen uit, en door, en tot Hem zullen zijn (Rom.11:36, Joh.1:1-5, Col.1:15-18a). Het doel van het plan is: ieder tot Hem te laten komen om Hem ongedwongen te loven (Rom.14:11). Hij wil, dat alles uit Hem, door Hem en tot Hem zal zijn.

Het is als met zaaien en oogsten. Ieder moet worden gezaaid om tot opstanding te kunnen komen. Ieder zou in Adam sterven om in Christus levend gemaakt te worden (1Cor.15:22). Alle middelen voor dit plan lagen reeds vóór de grondlegging (letterlijk: terneerwerping) van de aarde klaar. Allereerst satan, door wie zaad in de grond zou vallen (Jes.45:7). Maar ook het Lam , dat sedert de grondlegging van de wereld geslacht is. Door Hem zou het zaad kunnen ontkiemen en opkomen(Op.13:8b). En ook de de zonen Gods die Hij zou uitzenden in Zijn oogst, Luc.10:2).

Iedereen wordt dus levend gemaakt, maar niet allemaal tegelijk. Er staat: ieder in zijn eigen volgorde. Eerst stond de Heer Jezus Christus Zelf op vanuit de "doden", waartussen Hij leefde. Die opstanding kennen ook zij, die Hem volgen, waar Hij ook heengaat (1Cor.15:22-23). Zij zijn de uitverkorenen, de mannelijken, de overwinnaars, de sterren in Zijn hand, de gevers.

Daarna de ontvangers. Eerst wordt het aan de bruidsgemeente gegeven zich met blinkend fijn linnen te kleden (Op.19:8). Zij straalt dan de heerlijkheid Gods uit (Op.21:11). Bij dat licht zullen op hun beurt "de volken wandelen" (Op.21:24). Tenslotte wordt de hele schepping "bevrijd tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen" (Rom.8:19-21). Van ieder worden alle zonden weggedaan (1Tim.4:10,1Joh.2:2). Alle heerschappij en alle macht en kracht is dan onttroond (1Cor.15:23-25). Alles wordt nieuw gemaakt (Op.21:5). Dan draagt Jezus alles over aan de Vader (1Cor.15:24). Alles is dan tot Hem geschapen (Col.1:17). Alles zal Hem loven (Rom.14:11). God is dan alles in allen (1Cor.15:28).

God alles in allen! De schepping voltooid! Vervuld is dan: "Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet meer gedacht worden" (Jes.65:17). Halleluja!