Printable version  Printable version
Beeldspraak
    Babylon uitgaan
    Babylon, een gehe...
    De komst des Heren
    De Morgenster
    Gedenk de sabbatdag
    Geroepen uit Egypte
    Gezindheid van Chr...
    Hand a/d ploeg slaan
    Het getal van het ...
    Het hemelse Jeruza...
    Jezus' wondertekenen
    Licht uit schaduwen
    Oud en nieuw
    Van dood tot leven
    Van Pascha tot Lo ...
Commentaren
Getallensymboliek
Woordenlijst

De hand
aan de ploeg slaan

"Ik zal U volgen, Heer,
maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten".

"Niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar wat achter hem ligt,
is geschikt voor het Koninkrijk Gods".

(vgl. 1Kon.19:19-21 met Luc.9:59-62)

Overgenomen van: Verborgen Manna

DE HAND SLAAN AAN

Jezus zegt, dat "niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar wat achter hem ligt, geschikt is voor het Koninkrijk van God" (Luc.9:62). Wat bedoelt Hij daarmee? Wat is in de bijbel de hand slaan aan?

Het eerst komen we de uitdrukking tegen in de geschiedenis van Jozef. Zijn broers hadden besloten niet de hand aan hem te slaan, maar om hem aan de Ismaëlieten te verkopen, want, zeiden ze, hij is onze broer, ons eigen vlees (Gen.37:27). David zei, toen hij Saul's leven had gespaard: "De Heer had u in mijn macht gegeven. Men sprak ervan u te doden, maar ik zei: 'Ik zal de hand niet slaan aan mijn heer'" (1Sam.24:11, zie ook 26:9-11 en 23). Uit deze teksten (en ook uit Joz.2:19, 1Kron.21:17, Neh.13:21, Esth.2:21, 3:6, 6:2 en 9:2) blijkt, dat de hand slaan aan iemand betekent: iemand uit de weg ruimen, hem doden.

Ook in het nieuwe testament lezen we, dat "de schriftgeleerden en overpriesters probeerden de hand aan Jezus te slaan" (Luc.20:19). "Ze trachtten Hem te doden" (Joh.7:1). En later "sloegen ze de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring" (Hand.5:18). Dat had de Heer al voorzegd: "Ze zullen de handen aan u slaan en u vervolgen en u overleveren in de synagogen en gevangenissen om Mijns naams wil" (Luc.21:12). Je kunt dus de hand aan iemand slaan. Maar wat is nu precies de hand aan de ploeg slaan?

DE HAND AAN DE PLOEG SLAAN

In onze taal betekent deze uitdrukking aan 't werk gaan. Er moet aangepakt worden, dus sla je de hand(en) aan de ploeg. Maar de bijbelse betekenis is anders. Zoals men de hand aan iemand slaat om hem te doden, zo sla je de hand aan iets om het stuk te maken. In Job staat, dat men de hand aan hard gesteente slaat om er goud en edelgesteente uit te halen (Job 28:6,9,10). En toen Jezus zei: "Niemand, die de hand aan de ploeg slaat ...." had Hij ongetwijfeld de geschiedenis van Elisa's roeping in gedachten. Elisa sloeg de hand aan de ploeg. Laten we eens lezen, wat hij deed.

Er staat: "Toen Elia hem aantrof was Elisa aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen. Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep naar hem toe en gooide zijn mantel over hem heen. Meteen liet deze zijn ossen in de steek en rende achter Elia aan. 'Laat me afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder', zei hij, 'dan zal ik u met u meegaan'. 'Doe wat je wilt', zei Elia. 'Ik dwing je nergens toe'. Elisa kwam terug, hij slachtte zijn ossen, braadde het vlees op het ploeghout en bood dat zijn knechten aan. Daarna ging hij met Elia mee als zijn dienaar" (1Kon.19:19-21).

Elisa was de akker aan het ploegen. En toen Elia's mantel over hem heen werd geworpen, begreep hij, dat God hem riep. Hij nam een radicaal besluit: hij zou nooit meer werken, zoals hij dat zijn leven lang gedaan had. Hij sloeg de hand aan de ploeg, maakte van het hout een vuur en bereidde daarop zijn ossen tot "voedsel" voor het "volk".

DE ROEPING VAN ELISA

Elia's mantel was een profetenmantel van kameelhaar (Zach.13:4, 2Kon.1:8, Mat.3:4). Het toewerpen ervan was een symbolische handeling, die alleen maar kon betekenen: "Volg mij, om ook profeet te zijn". God had Elia kort daarvoor namelijk opgedragen: "Je moet Elisa, de zoon van Safat, zalven in jouw plaats" (1Kon.19:16).

Dat God Elisa uitkoos voor een bijzondere taak blijkt ook uit het feit, dat hij met het twaalfde span aan het ploegen was (1Kon.19:19). Het getal 12 wijst in de bijbel op uitverkiezing tot een bediening met goddelijk gezag. Er zijn 12 stammen, 12 apostelen, 12 fundamenten en 12 poorten van het hemelse Jeruzalem, 12x12.000 eerstelingen voor God en voor het Lam. Elisa ploegde met het twaalfde span: hij was tevoren gekend en uitverkoren tot het uitoefenen van een bediening met goddelijke autoriteit. Nu werd hij daartoe geroepen.

Elisa begreep die oproep. Niet in een opwelling sloeg hij zijn ploeg aan stukken. Hij realiseerde zich heel goed, dat de tijd gekomen was om afscheid te nemen van het werk op de "akker" van zijn "familie". Hij maakte zich klaar en ging met Elia mee als zijn dienaar (1Kon.19:21). Hij zag op wat voor hem lag, niet op wat hij achterliet.

Zo worden ook de eerstelingen voor God en voor het Lam geroepen. Jezus roept "het twaalfde span", dat aan het ploegen is op "Gods akker" (1Cor.3:9, 1Kon.19:19). Hij kiest hen uit met Hem mee te gaan (Joh.15:16, Marc.3:14). Hij zegt: "Volg Mij, kijk niet achterom, maar sla de hand aan de ploeg. Dan zal je de hemel zien opengaan" (Mat.9:9, Joh.1:43, Joh.1:52). Ze worden net als Elisa geroepen als ze hard aan het werk zijn. Ook zij laten alles achter, het "werk met de ploeg", hun "verwanten", het "volk". Ze geven alles prijs om Hem te dienen en zien niet om. (Mat.19:27). Want niemand, die de hand aan de ploeg slaat en blijft zien naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God (Luc.9:62).

Wie "als het twaalfde span ploegt" wordt dus weggeroepen van de andere "ploegers" om Hem te dienen (Deut.10:8, Ez.44:15). Hij of zij is "tevoren gekend en bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon" (Rom.8:29). Het getal van die "sterren" heeft God bepaald en de goede Herder kent ze bij naam. Hij roept ze allemaal persoonlijk uit (Ps.147:4, Joh.10:3). Ze zien dan op wat voor hen ligt en laten het "oude" (wat eens voor hen goed was) achter (Fil.3:14). Ze kiezen voor het "nieuwe" ondanks dat die keus allerlei onzekerheden met zich meebrengt.

Want het was voor Elisa echt wel een waagstuk. Het is ook voor ons niet niks om alles op één kaart te zetten en alles te verkopen ter wille van het Koninkrijk der hemelen. Want wie dát koninkrijk gaat zien verkoopt alles wat hij heeft (Mat.13:44). "Het Koninkrijk der hemelen is als een koopman, die mooie parels zocht. Toen hij een zeer kostbare parel gevonden had, ging hij alles verkopen wat hij had om die te kunnen kopen" (Mat.13:45-46). Elisa "verkocht" alles. Hij zou de hemel open zien gaan. Toen Elia hem vroeg een wens te doen, voordat hij zou worden weggenomen, zei hij: "Laat het dubbele van uw geest op mij zijn" (2Kon.2:9). Elia antwoordde: "Je vraagt iets heel moeilijks. Als je ziet, hoe ik van je word weggenomen, dan zal je wens vervuld worden. Maar zo niet, dan gebeurt het niet" (2Kon.2:10). En toen ....! "Terwijl ze liepen te praten, werden ze plotseling uit elkaar gedreven door een wagen van vuur en met paarden van vuur ervoor. En Elia werd in een stormwind meegevoerd naar de hemel. Elisa zag het gebeuren" (2Kon.2:11). Hij zag het! Hij zag de hemel open!

"Toen hij Elia niet meer kon zien, scheurde hij zijn kleren, raapte de mantel van Elia op, die van hem was afgegleden en liep terug. Bij de oever van de Jordaan hield hij stil. Toen sloeg hij met Elia's mantel op het water en riep: 'Waar is de Heer, de God van Elia?' En ook nu vloeide het water naar links en naar rechts weg, zodat hij kon oversteken. De profeten van Jericho, die Elisa vanaf de overkant in het oog hielden, zeiden tegen elkaar: 'De geest van Elia is op hem'. Toen gingen ze hem tegemoet en knielden voor hem neer" (2Kon.2:12-15).

Elisa had de hand aan de ploeg geslagen. Hij had niet omgekeken. Hij was met Elia meegegaan en samen met hem "door de Jordaan" gegaan. En met de mantel van Elia om ging hij terug "door de Jordaan". Zo kwam hij in zijn leven tot iets heel nieuws: hij zag de hemel open, om de Heer te dienen en te zegenen in Zijn naam (Deut.10:8). Door het dubbele deel van de geest die op Elia was, zou hij eens zo veel wondertekenen doen als Elia. Ook dat loopt parallel aan wat Jezus zegt tegen de Zijnen: "Voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader" (Joh.14:12).

DE ROEPING VAN DE LEVIETEN

Tijdens Israël's woestijnreis moest de tabernakel steeds worden afgebroken, worden meegedragen en weer worden opgebouwd. Dat was het werk van de Levieten (Num.1:47-51). Ook alleen zij mochten het vele werk in de voorhof doen (Num.3:5-10). Ze zorgden voor het gerei en slachtten de brand- en zondoffers "ten behoeve van de Israëlieten" (v.8). Zij werkten in de voorhof om in de noden van het volk te voorzien. Iedereen werd geholpen. Het werk was goed en zwaar, vergelijkbaar met het "ploegen" van de "akker Gods".

Maar Levieten konden ook een hogere taak vervullen. God verlangde er in eerste instantie naar om Zelf te worden gediend in het heiligdom. En ook daarom had Hij "de stam van de Levieten afgezonderd om de ark van het verbond van de Heer te dragen, voor de Heer te staan om Hem te dienen en in Zijn naam te zegenen tot op deze dag" (Deut.10:8). In de voorhof stonden de behoeften van de mens centraal. In het heilige werd God gediend.

Ook nu is er veel werk te verzetten! Er moet geploegd worden. Er moeten mensen geholpen worden en gemeentezaken vragen dringend om aandacht. Zielen moeten worden gered, gebondenen bevrijd, zieken genezen. Maar er is meer dan het werk voor de Heer. Hij wil niet alleen dat er voor Hem gewerkt wordt. Hij wil ook Zelf gediend worden.

Er zijn dus twee manieren van dienen. Ligt het accent op wat mensen nodig hebben, dan is dat het zware werk in de "voorhof", het "ploegen op de akker". Ligt het accent op de Heer, dan is dat de (voor het vlees) minder populaire taak om voor Hem te staan in alle rust, in Zijn heiligdom, om Hem te dienen en vandaar uit te zegenen in Zijn naam. Vooral voor die taak had God de stam van Levi afgezonderd (Deut.10:8).

Maar helaas. In de loop van de tijd zouden ook de meeste Levieten "de bron van levend water verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden" (Jer.2:13). Slechts één geslacht uit de hele stam van Levi zou voor die verheven taak nog in aanmerking komen. Dat waren "de levitische priesters, de zonen van Zadok, die de dienst in Mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de Israëlieten van Mij afdwaalden" (Ez.44:15a). Alleen "zij zullen tot Mij naderen om Mij te dienen" (Ez.44:15b). Dat waren dus alleen "de levitische priesters van het nageslacht van Zadok" (Ez.43:19). Nog maar één familie zou de Heer mogen dienen in Zijn heiligdom. De rest van de Levieten zou voor de Heer werken en het volk dienen in de voorhof.

Heden ten dage zijn er veel werkers voor de Heer. Predikanten, voorgangers, priesters, ouderlingen, diakenen, oudsten, evangelisten, zendelingen, jeugdleiders, enz., enz., verzetten heel veel nodig en nuttig werk op de akker (=de wereld, Mat.13:38). Er wordt geploegd, geëgd, bemest en water gegeven. Ieder kan over het werk lezen in nieuwsbrieven en tijdschriften, in kerkbladen en boeken. Christenen in arme landen worden geholpen, zondaren op Jezus gewezen, zendingsreizen gemaakt, organisaties en gemeenten gesticht en speciale acties gehouden voor talloze doelgroepen.

Er zijn werkers, die, net als de Levieten, door God zijn aangesteld om voor Hem te werken. Er zijn er ook, die er zelf voor kiezen. Want eerlijk is eerlijk. Werken voor de Heer kan best wel aantrekkelijk zijn. Is het niet geweldig, als er mensen naar je komen luisteren, of als je een zendingsreis kunt maken? Dat is heel wat anders dan de zorgen en beslommeringen van het gewone leven met de stressvolle baan. Je kunt beter voor de Heer werken!

Maar wie zelf voor het werk van de Heer kiest, handelt niet geestelijk, maar vleselijk. Hij doet, wat hij liever doet. Er zijn broeders, die zó'n status hebben opgebouwd als werker voor de Heer en die zó op de rijke jongeling lijken, dat, als Jezus hun zou vragen om de hand aan de ploeg te slaan, ze het niet zouden kunnen (vgl. Mat.19:16-26). Ze hebben zo veel te verliezen. En wat is het gevolg "als de Heer het huis niet bouwt"? Tevergeefs wordt er dan gewerkt (Ps.127:1). Er gebeurt dan iets heel engs: in plaats van dat het hemelse Jeruzalem kan kan neerdalen uit de hemel van God, creëert men met menselijke inzet een aardsgezind Babylon.

Dus God kiest ook nu uit de "werkers in de voorhof" er één geslacht uit om Hem te dienen. Dat zijn zij, die Zijn naam onder alle, soms zeer moeilijke omstandigheden niet verloochenen. Dat zijn die werkers, die voor Hem gewerkt hebben zonder bijmotieven en die Hem, net als "de levitische priesters uit het geslacht van Zadok", altijd trouw bleven. Ze hebben zich nooit persoonlijk voordeel of een bevoorrechte leiderspositie voor ogen gesteld. Het "ploegen" deden ze volkomen onbaatzuchtig. Voor zichzelf eisten ze nooit iets op. Ze zijn als Abraham, die nooit op zijn rechten stond, maar die zijn lot legde in de handen van de Eeuwige (zie Abraham en Lot, Gen.13). Zulke mensen roept God om Hem te dienen. Hij roept hen op, om tot rust te komen en de hand aan de ploeg te slaan. Ze worden, net als Elisa, apart gezet van alle andere ploegers.

PLOEGEN EN RUSTEN

Elisa zal het vast niet als prettig hebben ervaren om het vertrouwde werk, zijn familie en de medeknechten achter te laten. Het is een smalle weg, verder te gaan met die zonderling van een Elia met die kameelharen jas en die leren riem om (2Kon.1:8). Maar Elisa kon nu wel tot rust komen. Voor hem gold wat nu voor ons geldt: "Kom tot Mij, allen die vermoeid (van het "ploegen") en belast zijn (van de zorgen voor de "akker"). Ik zal jullie rust geven; neem Mijn juk op en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Zo zullen jullie rust vinden voor je ziel. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Mat.11:28-30).

Wat is dát moeilijk, tot Hem komen! Wij zijn zulke bezige bijen, dat zelfs, als we ons op Hem proberen te richten op een rustig moment, onze gedachten voortdurend afdwalen, bij Hem vandaan. Trouwens, velen van ons zijn bang van de stilte. De meesten van ons zijn liever bezig en hebben liever mensen om zich heen in plaats van maar "één ding van de Heer te vragen en dat te zoeken: te verblijven in het huis van de Heer al de dagen van hun leven, om Zijn liefelijkheid te aanschouwen en om te onderzoeken in Zijn tempel" (=naar Zijn wil te vragen, Ps.27:4).

Eigenlijk zou iedere werker op Gods akker altijd eerst bij Hem moeten komen. Hij zou eerst dienend "voor de Heer moeten staan" om vandaar uit te "zegenen in Zijn naam" (Deut.10:8). Eigenlijk is het tot rust komen een voorwaarde om effectief een zegen voor anderen te kunnen zijn. Daarom zoekt God "waarachtige aanbidders, die Hem aanbidden in geest en in waarheid" (Joh.4:23). Hij zoekt dienaren, die Hem zullen dienen in de ware, geestelijke tempel. Dat is in Zijn huis. Jezus zegt nadrukkelijk, dat de tijd daarvoor nu is. Maar ja. De meesten van ons willen altijd maar ploegen. Er zijn zoveel zaken, die de aandacht vragen. Dan kun je toch niet zomaar gaan "staan voor de Heer" en het werk aan anderen overlaten!

Toch is het zo, dat een geestelijk mens kan leren om stil te zijn. Hij leert te wachten voor Gods aangezicht, totdat Hij Zijn wil bekend heeft gemaakt. Hij verlangt maar één ding en dat vraagt hij: "Heer, mag ik in Uw huis Uw wil verstaan?" (Ps.27:4).

De Heer Jezus kon wachten. Op Zijn twaalfde was Hij al volkomen bezield van de dingen van de Vader (Luc.2:49). Toch bleef Hij stil, tot Zijn dertigste. En ook daarna stond Hij vaak "vroeg, nog diep in de nacht, op en ging naar buiten naar een eenzame plaats om te bidden" (Marc.1:35). Wat Hij sprak, had Hij eerst van de Vader gehoord (Joh.8:38). Wat Hij deed, had Hij eerst de Vader zien doen (Joh.5:19). Hij diende eerst de Vader. En vandaar uit zegende Hij in Zijn naam met "woorden van eeuwig leven" (Joh.6:68). Daarmee werden vermoeiden verkwikt, treurenden getroost, zelfverzekerden geschokt, zieken genezen, onoprechten berispt, gebondenen bevrijd en dwalenden de weg gewezen.

Wie gaat "horen", dat hij ook hiertoe geroepen wordt, slaat met blijdschap de hand aan de ploeg. Hij komt hierdoor misschien alleen te staan, maar wat zou dat! Elisa liet het werk en zijn familie achter om één man te volgen! Zie dan ook niet terug of om u heen, maar vooruit! De hemel zal open gaan. En zo nodig zal de Heer u laten zien, dat u daarin niet alleen staat (zie 1Kon.19:18). Blijf altijd zien op dat, waartoe God u heeft apartgezet. Het is om "voor Hem te staan om Hem te dienen en in Zijn naam te zegenen" (Deut.10:8).

Staan voor Gods aangezicht, tot rust komen van het "ploegen", aan Jezus' voeten zitten. Het is een principe, dat telkens weer opduikt in het nieuwe testament. Toen een mensenmassa de Heer "gevolgd was uit de steden" en toen er maar vijf broden en twee vissen waren om hen te voeden, zei Hij: "Breng Mij die hier" (Mat.14:18). "En laat de mensen gaan zitten" (Joh.6:10). Laat ze gaan zitten "in groepen van vijftig" (Luc.9:14). Vijftig is het bijbelgetal van de heilige Geest. Hij voedt als wij gaan zitten. Hij laaft als wij gaan rusten bij Hem.

Daarvan is het verhaal van Martha en Maria van Bethanië ook een prachtige illustratie. Maria was gaan zitten aan Zijn voeten, luisterde naar Zijn woorden en ontving zo brood des levens. Jezus noemde dat "het beste deel, dat haar nooit meer zal kunnen worden ontnomen" (Luc.10:38-42). Maar ja, het is waar. Het werk moet ook gedaan worden! Martha werd er wanhopig van. Zij had Jezus (met twaalf discipelen!) in haar huis ontvangen (Luc.10:38). Ze werd helemaal "in beslag genomen door het vele bedienen" (Luc.10:40a). "Ze ging bij Jezus staan en zei: Heer, trekt U het U niet aan, dat mijn zus mij alleen laat werken? Zeg haar toch, dat ze mij komt helpen" (Luc.10:40b)

Het bedienen was natuurlijk nodig en goed. Maar Maria had het beste gekozen (Luc.10:41). Zij had zich geestelijk getooid in "linnen" en liet op een gegeven moment alle gezwoeg en gejaag in "wollen" kleren na (Lev.19:19, Ez.44:17-18). Dat was haar keus. En denk maar niet, dat Maria haar verantwoordelijkheden niet kende. Ze heeft ongetwijfeld vooraf "in het huis" gewerkt, de gasten ontvangen, geholpen met het bedienen zoals iedere oosterse vrouw dat zou hebben gedaan. Maar toen ging Jezus spreken met "woorden van geest en leven", met "woorden van eeuwig leven" (Joh.6:63, 68). Toen moest ze kiezen: of doorgaan de gasten te bedienen, of bij Hem te gaan zitten. Ze koos voor het beste (Luc.10:41-42).

Eens maakte de Heer Jezus deze principes duidelijk in een gelijkenis, althans voor wie oren heeft om te horen. Want gelijkenissen bevatten immers geheimenissen (Mat.13:11, Luc.8.10), "wijsheid voor hen, die daarvoor rijp zijn" (vgl. 1Cor.2:6). Die gelijkenis is: "Als iemand van jullie een knecht zou hebben die voor hem ploegt of het vee hoedt, dan zal hij als die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: 'Ga maar meteen aan tafel'? Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: 'Maak iets voor mij te eten klaar, en bedien me terwijl ik eet en drink en daarna kun je zelf gaan eten en drinken?' Hij bedankt die knecht toch niet, omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? Hetzelfde geldt voor jullie. Als je hebt gedaan wat je is opgedragen, zeg dan: 'We zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan'" (Luc.17:7-10).

Nu weer even terug naar Maria en Martha. Maria had dus een keus gemaakt, die haar zus niet kon waarderen. Die vond, dat er doorgewerkt moest worden en zij koos voor het bedienen van de gasten in haar huis. Zo is het nog steeds. Wie zich geroepen weet de Heer te dienen, moet keuzes maken die lang niet iedereen begrijpt. Het is voor menigeen onbegrijpelijk, dat dan het werk, verwanten en vrienden, medeploegers en bezit ondergeschikt gemaakt worden om Hem. Het stoppen met "ploegen", het dienen van "Elia" en het tot rust en stilheid komen wordt gezien als verraad. En toch zullen door bekering (=anders denken) en rust wij verlost worden en zal in stilheid en vertrouwen onze kracht liggen (Jes.30:15).

Toen Petrus tot Jezus zei: "Heer, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?", antwoordde Hij tot hen: "Jullie zullen op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten. Wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het eeuwige leven erven. Maar veel eersten zullen de laatsten zijn en veel laatsten de eersten" (Mat.19:27-30).

Daarom moet ieder, die zich geroepen weet tot koninklijk priesterschap de hand aan de ploeg slaan en de Vader vragen hem te wijden, te heiligen en te zalven met Zijn Geest. Dan zal hij, als hij zich in "linnen" kleedt, voor Hem mogen staan om Hem te dienen (Deut.10:8). Dat deden de leraren en profeten in Handelingen 13:2 ook. Zij dienden in eerste instantie niet de gemeente, niet de armen, niet hun volksgenoten. Ze dienden daar vastend en biddend de Heer. Als Maria's zaten ze bij Hem. Dáárom werden er te Antiochië mensen afgezonderd voor het werk van de Heer.

Als Hij tot ons spreekt en ons roept, moeten wij het aandurven om te handelen op Zijn woord. Dat zien wij in het "achtste" wonderteken in het Johannes-evangelie (8= nieuw leven, opstandingsleven). Daar openbaarde de Heer Zichzelf, voor de "derde" keer (Joh.21:14) aan "zeven" discipelen (Joh.21:2). Deze "zeven" hadden op initiatief van Petrus besloten terug te gaan naar hun oude bezigheden: vissen. Ze zwoegden en tobden zich de hele nacht af, maar "die nacht vingen ze niets" (Joh.21:3). Toen de Heer hun om "toespijs" vroeg, hadden ze Hem niets te bieden (Joh.21:4-5). Toen sprak de opgestane Heer: "Werp je net aan stuurboord uit. Dan lukt het wel!" (Joh.21:6).

Wat hadden ze gewerkt! En niets gevangen! Maar toen Hij sprak "wierpen ze het net weer uit en er zat zo veel vis in, dat ze het net niet omhoog konden trekken" (Joh.21:6). Ze hadden nu een nieuw werkprincipe gevonden. Het werkte beter dan ze ooit hadden ervaren of hadden kunnen denken. Ze hadden gehandeld op Zijn woord en vingen 153 grote vissen. Zo zouden ze vissers van mensen worden (zie verder "Jezus' wondertekenen" elders op de site).

2 TIMOTHEÜS 2:15

Sommigen van ons vragen zich ongetwijfeld af, hoe het dan zit met het rechte voren trekken in de volgende tekst: "Maak er ernst mee u wel beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen, maar die rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid" (2Tim.2:15). Dan moeten wij toch juist wel ploegen!

Ja, er moet gewerkt worden. Toen Elisa de hand aan de ploeg sloeg, gingen de anderen door met hun werk. Toen Jezus een paar vissers vroeg Hem te volgen, bleven andere vissers gewoon hun werk doen. God kiest eerstelingen, zoals Hij destijds de stam van Levi uitkoos. Hij zei: "Ik neem de Levieten in de plaats van alle eerstgeborenen van Israël. Die zijn Mijn eigendom" (Num.3:12). Daarom hadden Levieten geen land om te bewerken. Voor hen gold: "Jullie krijgen geen stuk land, want Ik ben uw deel en uw erfdeel in Israël" (Num.18:20). En ook later gaf God de stam van Levi geen land: "de Heer, de God van Israël, is Zelf hun land, wat Hij hun beloofd had" (Joz.13:33).

Zo was het in het natuurlijke, als schaduwbeeld. En in het nieuwe verbond van geest en waarheid is het niet anders. Petrus bijvoorbeeld zette uiteen, "hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen" (Hand.15:14). God trekt dus mensen tot Zich om hen tot Zijn eigendom te maken. Dat doet Hij nu dus niet meer alleen uit het schaduwvolk Israël, maar ook uit de heidenen. Uiteindelijke worden het er "144.000", eerstelingen voor God en voor het Lam, die met het Lam zullen staan op Sion om de Vader te dienen (vgl. Op.14:1-5).

Maar nu terug naar 2 Timotheüs 2:15: ".....rechte voren trekken bij het brengen van het woord der waarheid". Eigenlijk staat er niet "rechte voren trekken". Het Griekse werkwoord is orthotomeo en heeft de volgende betekenissen: recht snijden, een rechte koers aanhouden. Orthotomeo bij het brengen van het woord der waarheid betekent: de waarheid op de juiste wijze en consequent toepassen. De gedachte aan ploegen is door de NBG-vertalers er ten onrechte bijgevoegd. Andere vertalingen hebben doorgaans: het woord der waarheid recht snijden (o.a. in de Staten- en de Lutherse vertaling). Enkele Engelse vertalingen luiden: rightly divide the word of truth (in de King James en in Green's letterlijke vertaling), handling aright the word of truth (ASV).

Wat dat betekent? Het is consequent onderscheid maken tussen het "oude" en het "nieuwe", tussen het natuurlijke en het geestelijke, tussen de aardse schaduwbeelden en de waarheid in het Koninkrijk der hemelen. In het "oude" was het Woord van toepassing op zichtbare zaken, op een aards volk, waarmee God een verbond sloot om hen te verlossen uit Egypte en hen te brengen in een beter land. Daar zou een stenen tempel worden gebouwd in een aards Jeruzalem, enz. enz. Wie nog steeds zo denkt, interpreteert alle profetieën en profetische gebeurtenissen in de bijbel met het oog op aardse, tijdelijke, zichtbare schaduwbeelden. Zijn denkwijze is dan nog die van het "oude" verbond.

Maar in het "nieuwe" verbond is alles van toepassing op geestelijke, hemelse realiteiten. En dus ook op een geestelijk volk. Met dat volk doet God "nieuwe dingen" (Jes.42:9, 48:6). Met dat volk sluit Hij een verbond om het te verlossen van het ware "Egypte (het ego) en om het te brengen in een beter "beloofde land": in het koninkrijk der hemelen met Zijn huis in het hemelse Jeruzalem. In het nieuwe verbond zoekt men consequent de dingen die boven zijn. Dat is orthotomeo. Recht snijden.

Recht snijden! Consequent denken! Van de talloze voorbeelden die er zijn, geef ik er maar één. Toen de Heer zei: "Breek deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen", dacht Hij niet aan een natuurlijke tempel (zoals de schriftgeleerden). Hij dacht aan een geestelijke tempel van God: Hij dacht aan Zichzelf (Joh.2:19-21, vgl. Col.2:9). Recht snijden! Wie het koninkrijk Gods is binnengegaan en burger van een rijk in de hemelen is geworden, past het woord der waarheid consequent toe op geestelijke realiteiten en ziet dat die waarheden hemzelf betreffen (Fil.3:20).

Paulus' denkwijze is als die van Christus. Hij schreef: "Bedenk de dingen, die boven (=geestelijk en waarachtig) zijn, niet die op de aarde zijn" (Col.3:2). En "zoek de dingen, die boven zijn, waar Christus is" (Col.3:1). Dan zijn we in de wereld én van boven. Dan zijn we niet alleen meer bezig met aardse schaduwbeelden, maar vooral met de geestelijke realiteiten waar ze op wijzen. Dat is recht snijden: scherp het onderscheid maken tussen "oud" en "nieuw".

Trouwens, is het aanhangen van een letterlijk-natuurlijke interpretatie van het woord echt wel geloof? Is bijvoorbeeld het wachten op Jezus' komst op wolken van waterdamp en de opname van de gelovigen in een flits op die wolken niet eerder een naïeve interpretatie van ongeestelijke leraren? Echt geloof is anders. Het is het levende woord van God horen, het ontvangen en er naar handelen. Zo stijgen we op met vleugels als arenden (Jes.40:31). Zo herkennen we in de bijbel wat Hij door Zijn Geest al tot ons heeft gesproken. De bijbel is een boek, waarin we ons leven met het levende Woord bevestigd kunnen zien. Zo worden wij zelf een levend offer, een waar priester, een geestelijke tempel en nog veel meer (1Cor.3:16, Rom.12:1).

Zo treden wij in Jezus' voetsporen. Zo leidt Hij ons uit naar de stille wateren en de grazige weiden van het Koninkrijk der hemelen (Joh.10:3). Dáár wordt het één kudde en één herder van schapen die de stem van de goede Herder kennen (Joh.10:16). Dat is niet iets voor later. Wie Hem volgt, ervaart dat hier en nu al. Hij wordt door de Herder hoe langer hoe losser gemaakt van menselijke opvattingen en natuurlijke interpretaties. Hij wordt hoe langer hoe meer één geest met de Heer (1Cor.6:17).

TENSLOTTE

Velen van ons doen hun uiterste best in een kerk of gemeente, om gelovigen op te bouwen. Anderen steken tijd en energie in evangelisatiewerk om zondaren op Jezus te wijzen. Weer anderen maken zich sterk voor jeugdwerk, of werk onder verslaafden en daklozen. Of ze geven alles op om in het buitenland het evangelie te gaan verkondigen. We moeten ons realiseren, dat dat in de meeste gevallen het ploegen van Gods akker is. En dat is een goede zaak, als het in alle oprechtheid en zonder bijbedoelingen wordt gedaan (Luc.17:7a). Maar er is meer. In de gelijkenis van Lucas 17:7-10 wordt niet alleen gesproken over ploegen en hoeden, maar ook over het dienen van de Heer, als wij bij Hem thuiskomen.

Wij hebben gezien, dat God een bepaalde familie uit de stam van Levi afzonderde om voor Hem te staan, om Hem te dienen. Elisa sloeg de hand aan de ploeg om bij Elia te zijn. Maria was gaan zitten om Jezus' woorden in te drinken. Zeven discipelen hadden een nacht lang niets gevangen, maar vingen 153 grote vissen, toen zij handelden op Zijn woord. Toen pas konden ze Hem geven, waar Hij om vroeg (Joh.21:5). Nog steeds zegt de Heer tegen ieder, die voor hem ploegt of het vee hoedt, als hij van het land komt: 'Maak eerst een maaltijd voor Mij klaar en bedien Mij eerst" (Luc.17:8). Hem behagen is meer dan voor Hem werken. En wie tot Hem nadert om Hem te behagen, zal leven (Amos 5:4, Jes.48:16, Jac.4:8). Kom thuis! Niemand kan Hem op afstand dienen. Kom in Zijn huis. Dat is wat Hij vraagt van Zijn werkers. Dat is echt belangrijker dan de nood in de wereld of in de kerk.

Jezus zegt, dat in het Koninkrijk der hemelen de plaats van aanbidding niet meer van primair belang is. De tijd is gekomen, "dat we niet hier op deze berg of in de tempel te Jeruzalem de Vader zullen aanbidden" (Joh.4:21). Het dienen van de Heer is niet meer hier of daar, in een bepaalde kerk of bij een bepaalde prediker. "De tijd is gekomen, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid. De Vader zoekt zulke aanbidders", zegt Hij (Joh.4:23-24).

In het nieuwe verbond ligt de nadruk dus niet meer op vaste tijden als een "dienst" op zaterdag of zondag van één à twee uur, of als een stille tijd 's morgens van dertig minuten, of als een retraite van een week. Paulus maakte dat al duidelijk in Galaten (Gal.4:10-11). Het is in het huis van de Heer blijven al de dagen van ons leven (Ps.13:6, 27:4a). Het is een nieuwe levenshouding. Wie de hand aan de ploeg heeft geslagen komt tot het "nieuwe" van de Geest. Hij doet niets meer uit zichzelf. Door die nieuwe gezindheid gaat hij elke dag met blijdschap de poorten van Gods huis binnen om Hem te raadplegen.

Weet u zich geroepen om dienst te doen in Zijn eeuwig heiligdom? Sla dan de hand aan de ploeg! Want "zo zegt de Heer: Als je bij Mij terugkeert en Ik je aanneem, zul je Mij weer dienen. En als je uitspreekt wat waarde heeft, zonder vermetele (Hebreeuws: waardeloze, onbetekenende) taal, zul je zijn als Mijn mond" (Jer.15:19-21). Halleluja!