Licht uit schaduwen

Overgenomen van: In Geest en Waarheid

INLEIDING

Het kan niet langer ontkend worden: wij leven in het laatste der dagen. Bij hoe langer hoe meer mensen slaat de schrik om het hart als zij zien, wat er in de wereld gebeurt. Voortdurend komen de leiders van de wereld bijeen om te proberen een uitweg uit de problemen te vinden. Wie niet bezorgd is over de huidige wereldsituatie is óf blind voor wat er zich afspeelt, óf hij vlucht van de feiten weg in werk en in allerlei activiteit, óf in genot, lust, drugs of andere bedwelmende middelen. Althans, zo somber en uitzichtloos is de situatie voor de natuurlijke mens.

Vanuit Gods oogpunt gaat er niets mis. Hij heeft gezegd: "Duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën". Niets loopt Hem uit de hand! God volvoert Zijn plannen met goddelijke precisie. Jezus zegt dan ook: "Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en hef uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt" (Luc.21:28). Luister aandachtig naar de stem van de goede Herder. Hij geeft aan, zoals Hij dat eertijds deed aan Noach, hoe een "ark" moet worden gebouwd als "schuilplaats" voor de komende gerichten. Want "duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Heer opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden" (Jes.60:2).

ALS IN DE DAGEN VAN NOACH

De Heer Jezus zei, dat het bij Zijn komst net zo zou zijn als in de dagen van Noach: wie er maar op los leeft, merkt er niets van dat Hij komende is (Mat.24:37-39). Als de zonde de overhand krijgt en als het hoe langer hoe meer gaat om de bevrediging en de koestering van het ik, kunnen Gods gerichten niet uitblijven. In de dagen van Noach was dat een watervloed, die alle ik-gerichte mensen meenam, omdat zij niet in de ark waren (Mat.24:39). Slechts acht zielen werden behouden (1Petr.3:20). Het getal 8 wijst op nieuw leven, opstandingsleven. Die "acht" werden gespaard om de nieuwe aarde te beërven.

Voordat die vloed in al haar hevigheid kwam, had God aan Noach duidelijke aanwijzingen gegeven. Hij had gezegd: "Het einde van al wat leeft (van al het vleselijke, letterlijk vertaald) is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweld, en daarom ga Ik hen met de aarde verdelgen. Maak u een ark van goferhout. En zó moet je hem maken: driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. Je moet aan de ark een lichtopening maken, en één el van boven af moet je die afwerken, en de ingang van de ark moet aan de zijkant komen. Je moet de ark maken met een onderste, een tweede en een derde verdieping" (Gen.6:13-16).

God gaf dus niet alleen opdracht een ark te bouwen. Hij bepaalde ook precies hoe. De ark diende op Zijn wijze te worden gebouwd. Er was geen ruimte voor Noach's inzichten. God was de ontwerper en Hij duldde geen menselijke inmenging. Alleen Hij wist, waarvoor de ark zou dienen en hoe hij moest worden. Daarom bepaalde Hij Zelf de afmetingen: 300 x 30 x 50 el. Natuurlijk zijn deze maten geen toevalligheden. Alles in de bijbel heeft een bedoeling. In alle details liggen geheimen verborgen, ook dus in de maten van de ark.

Wij leven in een tijd, dat het zal zijn als in de dagen van Noach. Ook nu wil God, dat er een "ark" gebouwd wordt, die de enige schuilplaats zal blijken te zijn in de vloed van "vuur", die de aarde zal bedekken. Opnieuw duldt de Heer geen enkel menselijk idee bij de bouw van de "nieuwe ark", de geestelijke.

De gedachte dat er nu een geestelijke "ark" moet worden gebouwd is belachelijk in de ogen van het religieuze Babylon. Noach werd bespot, toen hij bezig was met de bouw van de ark van hout. Nu bespot de religieuze wereld, aardsgericht en aardsgezind als zij is, elke poging om nu in geest en waarheid tot het bouwen van een "ark" te komen. "Babylon" blijft liever Gods hemelse waarheden aards interpreteren en uitwerken. Vandaar dat de roep van God tot Zijn volk is: "Ga uit van haar!" Verzamel u in geest en waarheid!

Maar helaas. Velen geven aan deze roep geen gehoor en zullen, omdat "zij niet toezien op zichzelf, worden verrast als in een strik" (Luc.21:34). Zij bevredigen slechts zichzelf, het vlees. Zij eten, drinken en zijn vrolijk. Zij zwelgen van de "machtige" emoties, die worden opgewekt in hun geestelijk Babylon. Hun profeten profeteren: "Vrede, vrede", terwijl er geen vrede is. Ze zeggen:"Het is alles vrede en rust" (1Thes.5:3). En dan plotseling komt er de vloed van het vuur der beproeving en dan blijkt, dat wat zij hebben gebouwd of menen te bezitten, niet kan standhouden.

"Hef daarom uw hoofden omhoog" (Luc.21:28). Ga hemels denken. Bidt om de gezindheid (=denkwijze) die in Christus is. Want Hij geeft duidelijke aanwijzingen voor de bouw van de ware ark. Ook die ark moet "300" x "50" x "30" zijn.

HET GETAL DRIEHONDERD

De Gideonsbende

De ark was driehonderd el lang en had drie verdiepingen. Het getal 300 spreekt van volkomen verlossing, volkomen doorgewerkt in geest, ziel en lichaam (300 komt vaak voor in combinatie met 3). Die volkomen verlossing zien we bijvoorbeeld later terug in de uitverkoren zonen Gods, de 144.000 (=6x8x300) "losgekochten van de aarde" (Rom.8:19, Op.14:2-5).

Het getal 300 komen wij ook tegen in het verhaal van Gideon: "Toen zei de Heer tot Gideon: Door de driehonderd mannen, die geslurpt hebben zal Ik u verlossen: Ik zal Midian in uw macht geven; maar al het overige volk kan heengaan, ieder naar zijn woonplaats. En alle mannen van Israël liet hij heengaan, ieder naar zijn tent, maar de driehonderd mannen hield hij bij zich. Toen verdeelde hij de driehonderd man in drie groepen en gaf hen allen horens en lege kruiken in de hand met fakkels binnen in de kruiken. Zo bliezen de drie groepen op de horens, braken de kruiken stuk en hielden in de linkerhand de fakkels en in de rechterhand de horens om te blazen en riepen: Het zwaard van de Heer en van Gideon! Terwijl nu de driehonderd op de horens bliezen, richtte de Heer in de gehele legerplaats het zwaard van de één tegen de ander en het leger vluchtte" (Richt.7:7,8,16,20,22).

Wat een verlossing! Een verlossing, die niet tot stand kwam door kracht of geweld, maar alleen door de Geest van de Allerhoogste. Hoe hopeloos zag alles er uit, voordat Midian verslagen werd! Steeds kwamen de Midianieten om het veldgewas te vernietigen en de pas ingehaalde oogst te roven (Richt.6:1-5). Daarom verarmde Israël zeer (Richt.6:6). Er ontstond een algeheel gebrek aan alles, aan "koren, most en olie", net als in onze dagen. Want "waar is koren en wijn?" (Klaagl.2:12).

Ja, waar zijn nu de vruchten van de Heilige Geest? Waar is nu de gezindheid van Christus? Waar blijft de oogst van het in Gods akker gezaaide levende Woord? Hongersnood! Vandaar dat God Gideons roept, mensen, die "koren" voor de vijand in veiligheid trachten te brengen (Richt.6:11). Een enorme massa sluit zich bij Gideon aan, maar het merendeel keert later weer naar hun huizen terug, net zoals velen op een bepaald moment Jezus als Lam niet bleven volgen (Joh.6:66). Want voor deze strijd zoekt God alleen mannen, die een duidelijk geluid op de bazuin blazen (vgl. 1Cor.14:8 en Num.10:1-10). En dat kunnen alleen zij, die hun "kruik"(=vlees) willen verbreken, opdat het verborgen licht openbaar kan worden. Op de openbaring van zulke zonen wacht de in barensnood zijnde schepping (Rom.8:19). Door driehonderd man! Door hen komt volkomen verlossing!

SALOMO'S SCHATKAMER

In 1 Koningen 10 vinden wij een beschrijving van de schatkamer van koning Salomo. Het hoofdstuk is vol prachtige schaduwbeelden, maar wij zullen alleen maar stilstaan bij vers 17: "Eveneens driehonderd kleine schilden van geslagen goud, drie minen goud gebruikte hij voor één klein schild. De koning plaatste ze in het huis: Woud van de Libanon".

Het koninkrijk van Salomo, hoe schitterend en glorieus ook, was slechts een schaduwbeeld van het eeuwige rijk van de ware Vredevorst. Jezus zegt immers: "Meer dan Salomo is hier" (Mat.12:42).

Salomo had driehonderd schilden, elk van drie minen goud. In Christus is meer! In Hem is de werkelijkheid, de waarheid van alle schaduwbeelden (Joh.1:17). Voor wie in Christus is geldt: "Hij is ons van God (=goud) geworden verlossing (1Cor.1:30), volkomen verlossing voor de gehele mens: Driehonderd schilden van drie minen goud!

Wat een perspectief! Volkomen verlossing! Helemaal vrij van zonden, gebondenheden en schijn. Macht hebben over het vleselijke ik, door Gods Geest, net als Jezus (Joh.17:2). Losgekocht van de aarde, onberispelijk! (Op.14:5). Overwinnaars van het beest (Op.15:1-4).

Dat zijn we nog lang niet! Op veel punten zijn wij nog als Israël in Egypte. Ook wij zijn Gods volk, maar in zoveel opzichten nog niet van "Egypte" verlost. Vandaar dat de Heer weer spreekt tot "Mozessen": "Ik heb terdege gezien de ellende van Mijn volk; Ik ken hun smarten. Daarom ben Ik neergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden" (Ex.3:7-8). Gods volk moet worden verlost!

Alles wat met het natuurlijke Israël gebeurd is (en nog gebeurt) zijn schaduwbeelden en waarschuwingen voor het volk van God in geest en waarheid. Nu wordt dit volk opgeroepen om "het vlees" van het Lam te eten en Zijn bloed te drinken voor de verlossing uit "Egypte". Hoe langer hoe meer gelovigen ervaren, dat "het vlees" (="Egypte") de geest onderdrukt. Zij ontdekken dat door het bloed van de Zoon des mensen zij over het vlees kunnen heersen. Stap voor stap laten zij Egypte achter zich. Het gaat wel door de woestijn van beproeving, maar het einddoel wacht: het land van leven en overvloed.

Inderdaad, wij zijn Gods volk. Hij heeft ons aangenomen. Maar dan begint het "jaar der verlossing" (Jes.63:4). En hoe ver zijn wij in dat "jaar"? Na hoeveel "nachten" is er een "nieuwe dag" aangebroken? Hoe veel van het verlossingswerk van Jezus hebben wij ervaren? Hoe trouw hebben wij het ware pascha gevierd? Trouwens: verlangt u wel naar het einde van dit "jaar der verlossing"? Ziet u wel uit naar de voltooiing van de nieuwe schepping in u? Het betekent namelijk de dood van het oude ik.

Openbaring 14:1-5 en 15:1-4 laat zien, wie het Lam geheel hebben gevolgd. "Dezen zijn het, die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk" (Op.14:4-5). Zij zijn losgekocht van de aarde, niet bevlekt met "Babylon", rein van hart, onberispelijk, vrij van alle leugen, overwinnaars van het beest (=het vlees)! Zo zijn zij geworden door veel druk heen, "als in een oven gloeiend gemaakt" (Op.1:15). Driehonderd schilden van geslagengoud, elk drie minen zwaar. Goud! Volkomen doordrenkt van Gods verlossingswerk in geest, ziel en lichaam. Gered én verlost!

HENOCH

Het getal 300 wordt ook genoemd in Genesis 5: "Henoch wandelde met God driehonderd jaar en hij was niet meer, want God had hem opgenomen" (vers 22 en 24).

Henoch kende volle verlossing, ook van "het lichaam dezes doods" (Rom.7:24). Volkomen verlossing van de vloek van de zonde werd zijn deel. Tijdens zijn leven ging zijn gehele wezen, ook zijn lichaam, gehoorzamen aan de Geest. Vandaar dat deze "ingewijde" (want dat betekent de naam Henoch) dan ook een schaduwbeeld is van de zonen Gods, waarop de gehele schepping wacht. Hij is een beeld van hen, die Jezus geheel zullen kennen als de "Ik ben de opstanding en het leven".

Dat dit opstandingsleven allereerst bestemd is voor "het lichaam van Christus" blijkt uit het verhaal van de zalving te Bethanië. Maria zalfde de Christus vlak voor Zijn sterven met mirre. Mirre duidt op lijden. Zij zalfde niet alleen Zijn hoofd (Marc.14:3), maar ook Zijn voeten (Joh.12:3). De waarde van de mirre was driehonderd schellingen (Joh.12:5). Weer het getal van volkomen verlossing! Deze verlossing komt over het voltallige "mannelijke lichaam", in alle zonen, van "Hoofd" tot "voeten".

Toen Johannes op Patmos voor de volheid van het Lichaam van Christus stond, zag hij duidelijk het Hoofd (=Jezus) en "Zijn Lichaam" (=de zonen). De voeten waren, net als het Hoofd, duidelijk zichtbaar. De bijbel zegt, dat de zonen Gods van de eindtijd (de "voeten van het Lichaam") openbaar zullen worden, nadat zij, net als koperbrons, ter loutering in een oven gloeiend zijn gemaakt (Op.1:14). Ze worden volkomen beproefd en gelouterd in het "vuur". Zij delen volkomen in Zijn lijden en in Zijn verheerlijking. Ook zij worden gezalfd met "mirre", die een waarde heeft van driehonderd schellingen!

DE DRIE VOORHANGSELS

Ook in de tabernakel, die een beeld is van "het lichaam van Christus", vinden wij het getal 300 terug. Die had drie ingangen van elk honderd vierkante el: de poort van de voorhof (20x5), de ingang tot het heilige (10x10) en het voorhangsel, de toegang tot het heilige der heilige (10x10 el).

Eerst dit: waarom steeds het getal 3? Drie is het getal van volledigheid. Het duidt op een totaliteit. Drie dimensies bepalen een ruimtelijk lichaam. Verleden, heden en toekomst vormen samen de tijd. Israël kende drie jaarlijkse feesten. God is Vader, Zoon en Heilige Geest. De mens is geest, ziel en lichaam. Gods akker zal "koren, most en olie" (=gezindheid van Christus) voortbrengen.

Volledige verlossing is dus het einddoel van Gods plan. Hij wil, dat wij ingaan tot in het binnenste heiligdom, door drie "voorhangsels" en zo ingaan tot Zijn rust, net als Jezus die als eerste inging (Hebr.4 en 6:20). Hij is immers onze voorloper! Hij wordt dus gevolgd, en wel door wie honderdvoudig vrucht draagt. Ook hún "voorhangsel" zal scheuren, hún "vlees" met "mirre" worden gezalfd, hún "kruik" worden gebroken. Want als het "vlees" niet sterft en scheurt, kan het volkomene niet komen. Dan kan men niet gehéél geleid worden door de Heilige Geest. Dan kan men niet van een verloste zoon spreken (vgl. Rom.8:14). Drie voorhangsels van elk honderd vierkante el. "Jezus Christus in ons, de hoop der heerlijkheid" (Col.1:27). "Een hoop, die reikt tot binnen het voorhangsel" (Hebr.6:19).

Wat een groots plan! Het is al heerlijk, om het eerste voorhangsel door te gaan naar het brandofferaltaar en te weten gereinigd te zijn van zonden. De hoogte van deze ingang was 5 el. Het getal vijf duidt op Gods genade en liefde. "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben" (Joh.3:16). Hebben niet reeds miljoenen mensen die genade ervaren, toen zij Jezus als Redder aanvaardden?

Maar als wij tot priesterschap worden geroepen, gaat de weg verder. Van het brandoffer (de plaats van volledige toewijding) en het koperen wasvat (de plaats van volledige levensheiliging) komen wij dan bij het tweede voorhangsel. Een vreemdeling mocht daar niet komen. Ook niet een onbevoegde, iemand van het volk, zelfs geen leviet. Alleen "gewijde", "gewassen", "gezalfde", "in wit linnen geklede" "priesters". Zij komen in "het heilige", waar alléén het "licht" is van "de zevenarmige kandelaar" (=de Heilige Geest).

Gods plan reikt met sommigen echter nóg verder! Wie getrouw dienst doet in Gods heiligdom, wordt nóg dichter bij Hem geroepen! Zij gaan volledig bij Hem binnen, ook door het derde voorhangsel (Heb.4). Daarachter is een "plaats", die "vierkant" (=volmaakt) is en "kubisch" (=volheid). Daar is geen zon- of kaarslicht. Daar is het Lam de lamp (Op.21:23). Daar is alles licht in zichzelf, zodat schaduwen er niet meer kunnen bestaan.

Wie daar binnengaat is geworden als een Henoch, Mozes of Elia, volkomen verlost. Hij is één van de zonen geworden, waardoor God Zijn verlossingswerk zal voltooien (Rom.8:19-23). Er komt immers een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De gehele kosmos komt onder het beslag van de volledige verlossing, die de Almachtige in gedachtenis had, toen Hij bepaalde, dat de drie voorhangsels samen driehonderd vierkante el en de ark driehonderd el lang moest zijn.

Als u "Zijn stem" hoort, laat u dan verder leiden door onze Voorloper Jezus Christus. Gehoorzaam die stem! Want Hij is de weg, de waarheid en het leven. Trek uit Babel! Bouw mee aan de "ark des behouds" en neem uw plaats in in het hemelse, bovennatuurlijke Lichaam van Christus. Donkere wolken pakken samen. Waak! Zie toe op u zelf. "En richt u op, hef uw hoofd omhoog, want uw verlossing genaakt" (Luc.21:28).

HET GETAL DERTIG

Nu komen wij tot de volgende afmeting van de ark: "Dertig el haar hoogte" (Gen.6:15). Het getal dertig duidt op (geestelijke) volwassenheid. Dat blijkt o.a. uit: "Jozef was dertig jaar oud, toen hij voor Farao, de koning van Egypte stond" (Gen.41:46). "Dertig jaar was David oud, toen hij koning werd" (2Sam.5:4). "En Hij, Jezus, was toen Hij optrad, ongeveer dertig jaar" (Luc.3:23).

Veel kommentaar is niet nodig. Jozef en David gingen als koningen heersen, toen ze dertig jaar waren. Op dezelfde leeftijd begon Jezus Zijn bediening als ware Koning en Hogepriester. En door te bepalen, dat de ark dertig el hoog moest zijn, liet God zien, dat Hij ook met "het Lichaam van Christus" toewerkt naar mannelijke rijpheid, naar geestelijke volwassenheid (Ef.4:13). Als dit is bereikt door de Heilige Geest, is ook de derde verdieping van de "ark" geheel voltooid. Dan komt de glorieuze ontknoping van het plan, dat God reeds voor de grondlegging van de wereld klaar had. Dan volgt, na een tijd van "storm" en "vloed", het herstel van alle dingen. Dan komt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Velen vinden dit allemaal maar twijfelachtig. Inderdaad hebben wij hier nog weinig van gehoord of gezien, maar laten wij niet vergeten, dat dit een werk van God is, dat met het natuurlijke oog niet gezien kan worden. Hij werkt Zijn plan uit in het verborgene, ver van de massa's. Daarom roept de Goede Herder Zijn schapen bij name, de stal uit, om met Hem te wandelen, zoals Henoch en Noach dat deden. Zo brengt Hij ieder van hen steeds dichter bij het doel: de maat van de wasdom der volheid van Christus. Dan zal het worden één herder, één kudde (Joh.10:16). Wie dat hoopt en gelooft, moet alleen op Jezus zien. Ook als "wij nu nog niet zien, dat Hem alle dingen onderworpen zijn. Maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond" (Hebr.2:8-9). Alle dingen zullen Hem eens volkomen onderworpen zijn. Want alle vijanden zullen worden gemaakt tot een bank voor Zijn voeten (Hebr.10:13).

Dat God naar geestelijke volwassenheid toewerkt in "het lichaam van Christus", zien wij ook in de tempel van Salomo (ook een beeld van het "lichaam van Christus"). "Het huis, dat koning Salomo voor de Heer bouwde, was dertig el hoog" (1Kon.6:2). Volgroeid! Volwassen!

HET GETAL VIJFTIG

Het getal 50 duidt op de Heilige Geest, die werd uitgestort op het pinksterfeest. Het Griekse woord voor pinksteren is pentekoste, dat vijftigste betekent. De Geest van God daalde vijftig dagen na Jezus' opstanding op de discipelen neer (Hand.2:1-4). Die "pinksterdag" duurt nog steeds voort: de laatste jaren heeft de Heer Jezus velen gedoopt met de Heilige Geest en hebben velen het pinksterfeest persoonlijk beleefd.

De ark was vijftig el breed. Wij hebben al besproken, dat Gods zonen tot de volle wasdom van Christus komen (het getal 30). En dat zij volkomen losgekocht van de aarde zullen zijn en dat door hen God het herstel van alle dingen bewerkt: de verlossing van de zuchtende schepping (het getal 300). Het getal 50 wijst erop, dat de bouw van het "Lichaam van Christus" (de "ark") alleen het werk kan zijn van de Heilige Geest.

Daarom moeten wij van Jezus de Heilige Geest ontvangen, als het onderpand van de erfenis (2Cor.1:22, 5:5, Ef.1:14). Alleen door Gods Geest komen wij tot de volle erfenis. God wil ons volledig vervullen met Zijn Geest, ons geheel doordrenken. Wie dit niet nodig vindt, komt nooit tot volle wasdom en volledige verlossing. Zonder het werk van de Geest van de Allerhoogste worden wij nooit één "ark". Paulus zegt immers: "Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt" (1Cor.12:13). Er kan alleen éénheid in het lichaam van Christus zijn door de Heilige Geest!

Een prachtige illustratie hiervan zien we in de tabernakel. "Vijftig lussen maakte men op het ene tentkleed en vijftig lussen aan het einde van het tentkleed, dat tot het andere stel behoorde, zodat de lussen tegenover elkaar stonden, de één tegenover de ander. Men maakte vijftig gouden haken, en verbond de tentkleden aan elkaar door de haken, zodat de tabernakel één geheel was" (Ex.36:12-13). De kleden, die de tabernakel bedekten, werden een éénheid, die samengevoegd werd door vijftig goudenhaken, door de Geest van God. Geen eenheid op grond van opvattingen, leer, naam van de kerk of gemeente, interesses, gebouw of sociale contacten. Maar eenheid door de Heilige Geest.

DE ZONDE VAN ACHAN

Na veertig jaar te hebben rondgezworven in de woestijn was Israël eindelijk in het land van belofte gekomen. Het eerste bolwerk van de vijand was Jericho, dat op wonderlijke wijze in handen van Israël viel zonder dat er maar één man sneuvelde (Joz.6:1-27). Vol vertrouwen werd daarna een klein leger op pad gestuurd om het stadje Ai te veroveren (Jozua 7).

Dat legertje werd smadelijk verslagen. Toen zei God tot Jozua: "Israël heeft gezondigd en kan daarom niet standhouden tegen de vijand". Door het lot werd de schuldige aangewezen: Achan. "Mijn zoon", zei Jozua hem, "geef toch eer aan de Heer, de God van Israël, en doe voor Hem belijdenis, vertel mij toch wat je gedaan hebt".

Achan antwoordde Jozua: "Ja, ik heb gezondigd tegen de Heer. Ik zag bij de buit een mantel van Sinear en tweehonderd sikkelen zilver, en een staaf goud van vijftig sikkelen zwaar, en uit begeerte heb ik ze weggenomen. Alles ligt in mijn tent in de grond verborgen" (Joz.7:21).

Hoe is het mogelijk, zult u zeggen! Achan! Jaren lang had hij in de woestijn de leiding van God gezien. Hij had Jericho (een type voor "Babel") zien vallen. En tóch nog begeerde hij dingen voor zijn ik. En dan nog wel een "mantel van Sinear (=Babel)". En "goud", iets goddelijks! Vijftig sikkelen had hij in "zijn tent" verborgen "in de grond".

Verstaat u de beeldspraak? Achans maken de kracht van Gods Geest effectloos, door haar in de "grond" te stoppen, in eigen "tenten". Hoe komt het, dat de kracht van de opwekking, die in het begin van de vorige eeuw de kerken deed schudden, is verbleekt? Waar bleef de Gode welgevallige oogst van de diverse bewegingen van de Heilige Geest? Hebben, wij christenen, ons niet al te vaak als een Achan gedragen en zijn niet aardse instituten, nieuwe kerken, er uiteindelijk van overgebleven? Er is "veel gezaaid, maar weinig binnengehaald; veel gegeten, maar zonder verzadigd te worden; gedronken zonder voldaan te worden" (Hag.1:6). Ieder ging weer rennen voor een eigen "huis", terwijl Gods "huis" verwoest bleef liggen (Hag.1:9). Ieder stopte het "goud", vijftig sikkelen zwaar, "in de grond" van zijn eigen "tent".

Vandaar dat "als men bij de wijnpers kwam om vijftig maten uit de bak te scheppen, dan waren er maar twintig" (Hag.2:17). Er ontstond gebrek. De "nieuwe wijn" ging verloren. Gods Geest was in "oude vaten" gedaan, misbruikt om oude systemen op te lappen (Luc.5:36). De Heilige Geest met haar gaven was goed genoeg om onze begeerten te bevredigen en onze aardse instellingen wat meer glans te geven. Uit hebzucht wilden velen meer van de Heilige Geest. Zij wilden hebben, hebben, hebben wat zij niet hadden (vgl.Jac.4:3). En omdat het niet in de eerste plaats ging om Christus, maar om er zelf beter van te worden, ging "de nieuwe wijn" verloren en werd "Babel" voortgebracht.

Vandaar dat God Zich terugtrekt, steeds weer als zoiets gebeurt. Het wordt verbrand als hout, stro en stoppels. Elk aardsgericht, aardsgezind christendom is ten ondergang gedoemd. Daarom: begeer toch geen Babylonische mantel! Ontvlucht Babylon, waar alle dingen van de Heilige Geest op lagere wijze worden uitgewerkt en in de "grond" worden gestopt. Een steenhoop zal zij worden (Joz.7:26).

Achan werd gestenigd en met vuur verbrand, mét zijn bezit, mét het Babylonische kleed en mét zijn gestolen goud (Joz.7:25). "Hierop sprak de Heer tot Jozua: Vrees niet, wees niet verschrikt; neem al het krijgsvolk met u mee en maak u gereed. Zie, Ik geef de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in uw macht" (Joz.8:1). God geeft alleen volle overwinning aan een volk, dat het Babylonische begeren met haar gruwelen heeft beleden en uitgedelgd.

ABSALOM EN ADONIA

Deze twee koningszonen, zonen van David, stierven beiden een smadelijke dood. Beiden waren opstandig tegen hun vader en hadden vijftig man, die voor hen uit moesten lopen als teken van hun grootheid. "Absalom schafte zich een wagen met paarden aan en vijftig mannen, die voor hem uit moesten lopen" (2Sam.15:1). "Adonia nu was zo overmoedig te denken: Ik zal koning worden; hij schafte zich wagens en ruiters aan en vijftig mannen, die voor hem uitliepen" (1Kon.1:5).

Weer het getal vijftig. Beide koningszonen typeren kinderen Gods, die de zalving van pinksteren hebben misbruikt, of nog misbruiken, om zichzelf te verhogen en de aandacht naar zichzelf te trekken. "Kijk eens naar onze gemeente! Mijn bediening! Steun dit werk, want dit heeft de wereld nodig! Onze visie! Onze bijbelschool! Onze zendelingen! Onze organisatie!" Absalom en Adonia lieten vijftig mannen voor zich uitlopen tot meerdere glorie van zichzelf en van hun zaak.

Ieder die, hoe subtiel ook, de zegeningen van de Heer gebruikt ten eigen bate en die op zo'n manier hoogmoedig en zelfzuchtig handelt, haalt Gods oordeel op zijn hals. Want "de verwaten ogen van de mens worden vernederd en mannentrots wordt neergebogen, want de Heer alleen is verheven. Ja, alles wat zich verheft, zal vernederd worden" (Jes.2:12).

Daarom valt "uit Jeruzalem en Juda alle steun weg: elke steun van brood en water, van held en krijgsman, rechter en profeet, oudste en hoofdman over vijftig" (Jes.3:1-3). Alles moet wankelen wat niet alleen de Heer verheerlijkt. Alleen Hem komt alle eer toe. De Almachtige geeft Zijn eer aan geen ander! (Jes.48:11). Niet aan gesneden beelden, niet aan hoofdmannen over vijftig, zelfs niet aan koningszonen.

AHAZIA EN DE PROFEET DES HEREN

Ahazia, koning van Israël, was een nazaat van koning Jerobeam, die in Bethel en Dan eertijds een afgodendienst had ingesteld. Zo goed mogelijk had hij alles van de tempeldienst in Jeruzalem geïmiteerd, om zijn onderdanen ervan te weerhouden naar Jeruzalem in Juda te gaan om dáár de feesten van de Heer te vieren (1Kon.12:25-32). Jerobeam zorgde voor eigen goden (de twee gouden kalveren), voor een eigen pascha, een eigen pinkster- en loofhuttenfeest; kortom: hij zorgde voor perfekte namaak.

Het is duidelijk dat dit alles een beeld is van het geraffineerde werk van de antichrist, die alles van de Heilige Geest nadoet op aards niveau. Hij doet dat in een zogenaamd "Bethel" (=huis Gods), ver van het ware Huis Gods in "Jeruzalem".

Al deze geschiedenissen zijn opgetekend ter waarschuwing voor ons (1Cor.10:11). Want ook heden ten dage heeft de antichrist een bijna perfekte namaak gecreëerd: aardse gemeentebouw in plaats van hemelse, hoofdkennis in plaats van bovennatuurlijke kennis, menselijke wijsheid in plaats van goddelijke, woordenkramers in plaats van profeten. En dat gebeurt allemaal in "Bethels", in "huizen Gods", ver van Gods ware Huis in de hemelen.

Maar nu het verhaal van Ahazia. Het begint als volgt: "Ahazia viel door het traliewerk van zijn bovenvertrek en werd ziek" (2Kon.1:2). "Ahazia" was uit de bovenkamer gevallen. Wie niet meer hemels denkt, is uit de hemel gevallen en is, als Ahazia, "ziek" geworden. "Toen zond hij boden uit en beval hun: Ga Baäl-Zebub, de god van Ekron (=uitroeiing), raadplegen, of ik van deze ziekte zal herstellen" (2Kon.1:2). Hij stuurde hen nota bene naar een Filistijnse god! Maar onderweg ontmoetten zij de profeet van Israëls God, die een onplezierige boodschap had: hij zou niet genezen (1Kon.1:3-4).

Herstel van zieke godsdienstigheid "van beneden" is niet mogelijk. Aardsgerichte organisaties, of ze nu jong zijn of oud, hebben hun woonplaats niet in de hemelen en zijn ten dode gedoemd. Ze worden niet genezen! Velen van ons weten al lang, dat "Ahazia", ondanks dat hij vijftigtallen uitstuurt, "ziek" is. Er is langs allerlei aardse wegen geprobeerd om het antwoord te vinden en de "ziekte" te genezen.

Toen de boden na hun terugkomst de profeet Gods beschreven hadden, zei Ahazia: "Dat is de Tisbiet Elia" (2Kon.1:8). Hij besloot (zo zullen Ahazia's altijd reageren) om de mond van de profeet te snoeren. Er staat: "Ahazia zond tot hem een overste over vijftig met zijn vijftigtal. En deze klom op tot hem (want zie, Elia zat op een bergtop) en sprak tot hem: Man Gods, de koning beveelt: Daal af! Toen antwoordde Elia en sprak tot de overste over vijftig: Als ik dan een man Gods ben, laat er dan vuur van de hemel afdalen en u en uw vijftigtal verteren. Toen daalde vuur van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigtal. Opnieuw zond hij een andere overste over vijftig met zijn vijftigtal naar Elia. En deze nam het woord en zeide tot hem: Man Gods, zo beveelt de koning, haast u en daal af! Toen antwoordde Elia en sprak tot hen: Als ik een man Gods ben, laat er dan vuur van de hemel afdalen en u en uw vijftigtal verteren. Toen daalde Gods vuur van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigtal".

"Wederom zond Ahazia een derde overste over vijftig met zijn vijftigtal. En deze overste klom tot Elia op en knielde voor hem neer. Hij smeekte hem: Man Gods, laat toch mijn leven en het leven van deze uw vijftig knechten kostbaar zijn in uw ogen. Zie, vuur is van de hemel neergedaald en heeft de eerste twee oversten over vijftig met hun vijftigtallen verteerd. Nu dan, laat mijn leven kostbaar zijn in uw ogen. Toen sprak de Engel van de Heer tot Elia: Daal met hem af, vrees niet voor hem. En hij stond op en daalde met hem af naar de koning" (2Kon.1:9-15).

Allereerst dit: God is een genadig God voor ieder die zich verootmoedigt. Het getal 50 komt in dit bijbelgedeelte vijftien keer voor, drie keer vijf. Vijf is het getal van genade, drie van volledigheid. Volledige genade, voor wie zich bekeert van alle werken van dood formalisme, van elk ijdel woord, van elke aardsgerichte godsdienstbeleving, van alle sleur, in wat voor Bethel hij ook is.

De eerste twee oversten over vijftig kwamen tot Elia met het bevel om van zijn "verheven positie" af te dalen. Ze deden dat in de naam van een zieke koning, die steunend op eigen vijftigtallen het ware werk van de Heilige Geest probeerde te smoren. Zij waren blindelings gehoorzaam. Maar toen zij oog in oog kwamen te staan met de knecht Gods, daalde vuur uit de hemel neer en verteerde hen allen. Zij hadden gebouwd met "hout, hooi en stro" en hadden zich niet bekeerd.

Toen kwam de derde overste over vijftig. Hij bekeerde zich wél! Hij zei niet: "Zo beveelt de koning!" Eigenlijk erkende hij: "Wij weten dat onze koning kwaad doet en dat God met u is. Wij weten dat het vuur uit de hemel de anderen verteerde, omdat zij u als profeet Gods hadden verworpen". Hij kwam niet in de naam van Ahazia, in de naam van één of ander kerkelijk instituut. Hij kwam als oprecht mens.

Het overspelige geslacht verwerpt altijd profeten Gods (Mat.23:34-35, 37-39). Babylon erkent nooit de bedieningen van ware knechten Gods. Oprechte mensen wél. Zij hebben oren om te horen. Zij verstaan de taal van de "profeten en wijzen en schriftgeleerden, die Jezus zendt" (Mat.23:34). Veel kinderen Gods leven nog onder "Ahazia". Net als de derde overste zullen zij tot de "Elia" opklimmen. Ze zijn zich bewust van de slechte handelwijze van hun koning. Zij achten "Elia" hoger dan hun "Ahazia". Daarom gaat "Elia" met hen mee. Niet om "Ahazia" te genezen, want hem zou het vergaan als "Izebel" (Op.2:21-24). Maar om de antichrist te laten zien, dat de mond van een profeet van de allerhoogste God niet kan worden gesnoerd (2Kon.1:16).

Ieder weet, dat ook in onze dagen de Elia zal komen, voordat de grote dag van de Heer komt (Mal.4:5, Marc.9:11-12). Het einde nadert! "Troost Mijn volk, zegt uw God" (Jes.40:1). "Bereid in de woestijn de weg van de Heer (Jes.40:3). "De heerlijkheid vn de Heer zal zich openbaren" (Jes.40:5). Maar "alle vlees is gras en het gras verdort als de adem van de Heer daarover waait" (Jes.40:7). "Het gras verdort, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand" (Jes.40:8). Ahazia zal sterven! Babylon zal vallen. Velen van Gods kinderen zullen uittrekken om het Lam te volgen, om met Hem te leven waar Hij ook heen gaat.

ELIA, ELISA EN DE VIJFTIG PROFETEN

Meteen in het volgende hoofdstuk komen wij weer het getal vijftig tegen (2Kon.2:1-19). Dit bijbelgedeelte beschrijft, hoe Elia, zonder te sterven, werd opgenomen en hoe het "sterfelijke onsterfelijkheid aandeed en het vergankelijke onvergankelijkheid" (1Cor.15:53). In hem "werd het woord werkelijkheid, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning" (1Cor.15:54). En nu de vraag: Wie volgde Elia, waar hij ook heen ging en wie zou dit geweldige opstandingswonder zien?

Allereerst is er sprake van de profeten van Bethel. Zoals wij al eerder zeiden, was Bethel de plaats waar Jerobeam één van de gouden kalveren plaatste. Daar moest Israël het kalf aanbidden in plaats van God in de tempel te Jeruzalem. Het was een Babylonische cultus, een surrogaatgodsdienst, die de Heer een gruwel was.

Toen Elia met zijn knecht in Bethel kwam, zeide hij: "Elisa, blijf toch hier, want de Heer heeft mij naar Jericho gezonden"(v. 4). Maar Elisa had besloten zijn meester geheel te volgen. Hij zei: "Zo waar de Heer leeft en u leeft, ik zal u niet verlaten". De profeten van Bethel, die óók wisten, wat er gebeuren zou (v. 3), bleven waar zij waren: in Bethel.

Toen kwamen Elia en Elisa in Jericho. Deze stad had niet herbouwd mogen worden. Herbouw van de stad zou ten koste gaan van de "eerstgeborene" (1Kon.16:34). Ook daar wisten de profeten dat God Elia zou wegnemen (v. 5). Ook daar zei Elia tot zijn knecht: "Blijf toch hier, want de Heer heeft mij naar de Jordaan gezonden". Wéér was Elisa's antwoord: "Zowaar de Heer leeft en u leeft, ik zal u niet verlaten". De meeste profeten van Jericho bleven in Jericho achter, maar vijftig ervan volgden Elia en Elisa in de richting van de Jordaan.

Deze vijftig bleven, toen de profeet en zijn knecht aan de Jordaan stilstonden, op verre afstand staan (v. 8). Zij deinsden terug! Wie door de "Jordaan" gaat, brengt tot uitdrukking, dat hij niet alleen wil sterven aan het vlees, maar dat hij metterdaad in alles zijn leven niet telt. Hij is dan met Hem medegekruisigd, dood aan het vlees. Dat is het scheuren van het derde voorhangsel, het breken van de kruik, het volgen van het Lam waar Hij ook heen gaat.

Wie wil zo'n Elisa zijn? De profeten van Bethel? De profeten van Jericho? De vijftig? Ja, de vijftig profeten van Jericho waren het verst meegegaan, maar nu bleven zij toch op een respectabele afstand staan! Elisa (=beeld van de zonen Gods, die hun Meester ook volgen waar Hij ook heen gaat) ging wel verder. Hij blééf zijn heer volgen. Hij bewees, dat hij van hem hield. Nee, nu hoeft Elia hem niet meer te vragen om achter te blijven. Gebleken was, dat hij een volkomen toegewijde volgeling was. Vrijwillig! Is het niet net zo als met het volgen van Jezus? Zei Hij niet tegen Zijn discipelen iets als: "Jullie mogen ook gaan en achterblijven in jullie "Bethel" of "Jericho" (vgl. Joh.6:67). Toen had Petrus geantwoord: "Heer, tot wie zouden we gaan? U hebt woorden van eeuwig leven" (Joh.6:68).

Elisa ging dus wél met Elia door de Jordaan en zág de onzienlijke realiteit van Elia's opstanding (v. 12). Hij kréég een dubbel deel van de geest die op Elia was (v. 7). Hij kréég zijn mantel. Ook voor hém kwam er een pad door de Jordaan (v. 14). De doodsrivier oversteken betekent leven aan de overzijde. Dat is "nieuw" leven in "het land van de belofte"!

De profeten van Jericho herkenden meteen, dat de geest van Elia op Elisa rustte (v. 15). Maar ach, wat gaven zij blijk van hun kleingeloof. Zij zeiden tot Elisa: "Zie toch, er zijn onder uw mannen vijftig kloeke mannen; laat hen toch Elia gaan zoeken, of niet misschien de Geest van de Heer hem heeft opgenomen en op één van de bergen of één van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zend ze niet. Maar toen zij aandrongen tot schamens toe, zei hij: Zend ze dan maar. Zij vonden dan vijftig man, die drie dagen lang zochten. Ze vonden hem niet" (v. 16-17).

Natuurlijk vonden zij Elia's lichaam niet. Zelfs niet na drie dagen zoeken (drie duidt op de volledigheid van de pogingen). Zijn vergankelijk lichaam was veranderd! Zijn sterfelijk lichaam had onsterfelijkheid aangedaan! Als Henoch was hij niet meer, want God had hem niet "neergeworpen" (v. 17), maar opgenomen. De vijftig hadden niet alleen blijk gegeven van hun onwil om te sterven aan het vlees, door op veilige afstand van de Jordaan te blijven staan, nu bleek ook hun ongeloof in de volkomen verlossing van geest, ziel én lichaam.

O, Bethelbewoners, Bethelprofeten en mannen van Jericho, ga de Elia volgen! Laat u dopen met de Heilige Geest! Zoek de dingen die boven zijn! En jullie "vijftig" profeten van Jericho, die de doop met de Heilige Geest hebben ontvangen, blijft niet van verre staan! Gebruikt de pinksterkracht om door de Jordaan te gaan. Hij zal u dan het deel van een eerstgeborene geven: zoonschap! Dan zult ook u een knecht van de Heer zijn als Elisa! Dan zult u eten, en niet hongeren, drinken en niet dorsten, u verheugen en niet beschaamd staan, ja u zult jubelen van hartevreugd (vgl Jes.65:13-14).

HET JUBELJAAR

Het getal 50 treffen wij, vaak samen met het getal 7, aan op tal van andere plaatsen in de bijbel. Wij zullen ons beperken en staan alleen nog even stil bij het jubeljaar, dat beschreven wordt in Leviticus 25.

Er staat: "Na negenenveertig jaar moet u in het hele land bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand, op de verzoendag. U zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners. Dan zal iedereen tot zijn bezittingen en tot zijn geslacht terugkeren. Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn. Dan zult u niet zaaien, en wat dan vanzelf opkomt zult u niet oogsten en u zult de ongesnoeide wijnstok niet aflezen" (Lev.25:8-11).

Het getal vijftig duidt uiteraard ook hier op het werk van de Heilige Geest. Het pinksterfeest was op de vijftigste dag in de jaarlijkse cyclus (Lev.23:15). Het jubeljaar was het vijftigste jaar. Het duidt op de volheid van het werk van de Geest Gods. Het jubeljaar begon dan ook niet zoals pinksteren in de derde maand, maar op de grote verzoendag in zevende maand (Lev.25:9).

Wat een climax! Eerst elke week een rustdag als basis. Vervolgens elk jaar de feesten van de Heer voor het volk (zie: "Van pascha tot loofhutten"). Dan na elke zes jaar een sabbatsjaar voor het hele land (Lev.25:4). Dan na zeven keer zeven jaar een jubeljaar, waarin niet alleen het land algehele rust zou hebben (voor het tweede jaar achtereen), maar er ook een tijd aanbreekt van algehele bevrijding en vrijheid.

Het jubeljaar wijst dan ook heen naar het herstel van alle dingen. Alles wat iemand rechtens toekwam, kwam weer in zijn bezit. Vrijheid werd in het hele land afgekondigd voor alle bewoners. Verarmde families kregen al hun vroegere bezittingen terug. Elke gevangenisdeur werd geopend, alle ketens verbroken, slaven vrijgelaten. Ieder keerde terug naar de plaats waar hij hoorde. Alles werd hersteld.

Wat de eerste gemeente ontvangen had, werd door Paulus het onderpand van de erfenis genoemd. Zij ontvingen handgeld. De hele erfenis komt in het jubeljaar. Dat is de "erfenis, die in de hemelen weggelegd is en die gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd" (uit 1Pet.1:1-4).

Daarom: laat u dopen met de Heilige Geest en jaagt naar de gaven van de Geest met het oog op dat doel. Richt uw hoop op waar zij hoort: op de komst van de Heer in u nu! "Christus in u, de hoop der heerlijkheid" (Col.2:27). Het zal zijn als in de dagen van Noach. Het duurt niet lang meer of een "vloed" van "vuur" en hevige "stormen" zullen komen. Wie aan de ark heeft gebouwd en de geestelijke waarheden van de getallen 300, 30 en 50 kent in zijn eigen leven, is als Noach in de "ark", als de "drie" Hebreeuwse mannen in de vurige oven.