PSALM 13 (SEPTUAGINTA) = PSALM 14 (HSV)

SARA ALS GEVANGENE ONDER ABIMELECH

(GEN. 20)

Overgenomen van: Berea Studies

1 Een psalm van David. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.

Zij handelen verderfelijk, bedrijven gruwelijke daden; er is niemand die goed doet.

2 De HEERE heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen,

om te zien of er iemand verstandig was, iemand die God zocht.

3 Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven;

er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

4 Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven,

die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen de HEERE niet aan.

5 Daar worden zij door angst bevangen,

want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!

6 Weliswaar beschaamt u het voornemen van de ellendige,

maar de HEERE is zijn toevlucht.

7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!

Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,

dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Het getal dertien spreekt van rebellie en verdorvenheid.

De dertiende Psalm is Psalm 14 en heeft als titel: “Een Psalm van David.” David had veel ervaring met de Filistijnen en werd zelfs gedwongen om een tijd onder hen te leven om de vervolging van Saul te vermijden. De Filistijnen stellen allegorisch zowel de opstandige ongelovigen als de vleselijke gedachte van de gelovigen voor. Van zulke Filistijnen zegt David:

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij handelen verderfelijk, bedrijven gruwelijke daden; er is niemand die goeddoet. 2 De HEERE heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen, om te zien of er iemand verstandig was, iemand die God zocht. 3 Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven; er is niemand die goed doet, zelfs niet één.”

Paulus citeert dit gedeelte in Romeinen 3. Psalm 14 gaat grotendeels over de vleselijke mens die God niet als zijn Heer erkent. Deze passage beschrijft de “Joden en Grieken” als gelijken, zoals Paulus ons in Rom. 3:9-12 vertelt:

“Wat dan wel? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd dat zij allen onder de zonde zijn, 10 zoals geschreven staat: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één, 11 er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt. 12 Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één.”

Dus wanneer wij de woorden van David in Psalm 14 op de Filistijnen toepassen, dan moeten wij haar toepassing verbreiden tot de Filistijnse gedachtegang, waar de vleselijke geest uit bestaat.

Deze Psalm blikt eveneens terug op het verhaal van Abraham en zijn relatie met de Filistijnen. Abimelech was een Filistijnse koning in Kanaän en stelt allegorisch in het algemeen te vleselijke geest voor. Zoals we al eerder in onze studie in Psalm 12 aanhaalden vertelde Abraham Abimelech dat Sara zijn zus was (Gen. 20:2), waarna Abimelech Sara als vrouw nam. Hetzelfde had zich al eens voorgedaan met de farao toen zij in Egypte rondzwierven.

De vleselijke geest van Abraham zorgde er dus voor dat Sara “de gevangen bruid” werd, dat door de Schriften heen gezien kan worden in het verhaal van Israëls slavernij in Egypte en later in Assyrië. De gevangenschap komt binnen de Schrift heel duidelijk naar voren als resultaat van opstand tegen God. God gebruikt gevangenschap om de mens en hun vleselijke geest te oordelen.

Psalm 14:4 gaat verder:

“Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven [wetteloosheid werken], die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen de HEERE niet aan.”

Jezus citeert dit vers in Mat. 7:23 aangaande de gelovigen die claimen vele wonderlijke werken in Jezus’ naam te hebben verricht. Jezus reageert hierop met: “ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!” Door deze zin uit Psalm 14:4 te citeren maakt Jezus duidelijk dat zelfs voor wonderdoeners de opstandige vleselijke geest onacceptabel is.

Psalm 14:7 sluit de Psalm af met de woorden:

“Och, dat Israëls verlossing [“Yeshua”, ofwel Jezus] uit Sion kwam! Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren, dan zal Jakob zich verheugen [guwl], Israël zal verblijd [sameach] zijn.”

De hoop van David was dat Yeshua zou komen. Dit weerspiegelt eveneens het verlangen van Simeon in Lukas 2:29, 30, die, toen hij het kind Jezus zag en hoorde dat ze Hem Yeshua noemde, zei:

“Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord, 30 want mijn ogen hebben Uw zaligheid [Yeshua] gezien.”

Psalm 14:7 zegt: “Jakob zal zich verheugen”. Het Hebreeuwse woord voor verheugen is guwl, dat letterlijk ronddraaien betekent. Toen het volk zich verheugde en danste, draaiden zij rond. Maar de concordantie van Strong zegt dat het ook op angst kan duiden, alsof iemand gedesoriënteerd is en niet weet waar hij heen moet gaan.

“Israël zal verblijd zijn”. Het Hebreeuwse woord is sameach. Het komt van het stamwoord samach, dat “opvrolijken” betekent. Er bestaat hier geen negatieve betekenis voor. Waarom zouden er twee verschillende woorden gebruikt worden om Jakob en Israël te beschrijven?

Het onderscheid tussen Jakob en Israël is een kwestie van karakter. Hij werd als Jakob geboren, om vervolgens Israël te worden. Jakob is de onvolwassen gelovige en eveneens een bedrieger – een gelovige die nog op zijn vleselijk geest vertrouwt. Jakob is de gelovige die vertrouwen heeft, maar niet echt gelooft dat God in staat is om Zijn beloften zonder wat hulp en listigheid te vervullen. Jakob ontving de nieuwe naam Israël na de worsteling met de engel (Gen. 32:24). Dit liet hem ook rondtollen, en niet geheel zonder angst, maar het verschoof zijn denkwijze ten gunste van de soevereiniteit van God.

Psalm 14:7 dient dus eigenlijk op de volgende manier te worden verstaan: “Wanneer de HEERE Zijn gevangen Bruid laat terugkeren, dan zullen de vleselijke geesten ronddraaien en de overwinnaars verblijd zijn.” De niet-overwinnende gelovigen zijn nog steeds gevangen binnen hun vleselijke geest (d.w.z. de Filistijnse gedachtegang). Maar de dag zal aanbreken waarop de Verzoendag in hun leven vervuld wordt en zij zich zullen berouwen of BEKEREN (rondgedraaid of omgekeerd worden). Dan zullen zij het plan van God in meer opzichten gaan aanschouwen dan dat ze vandaag de dag realiseren.